Geen Yin & Yang. Broodmandje 1

cropped-2005_11_06_pict5808_katten2.jpg

Tygo & Tasha, veertien weken oud, liggen hier in een broodmandje van tien centimeter doorsnee. Het is het meest schiterende en ontroerende plaatje dat ik ooit heb gezien.

Waarom heb ik nooit aan Tonio gevraagd of hij bij deze foto ook aan het Yin & Yang teken heeft moeten denken?

Yin, het vrouwelijke: Tasha

Yang, het manlijke: Tygo

‘Niet louter tegengestelde, maar vooral complementaire waarden’, zo is op Wikipedia te lezen.

In het geheel geen lust tot verder lezen over deze ‘bibberig zinloze ideeënwereld’ in deze ‘Volksencyclopedie’, realiseerde ik me dat Tonio, net als ik, een bijzondere hekel had aan het instituut geloof en alles wat daar aan sektarischachtige of juist zweverige groeperingen onder viel, dus ook Yin & Yang.

Tonio’s credo wat betreft de bron van al het menselijk (en dierlijk) leed: Alles wat ooit vrij toegankelijk was, wordt geofferd voor starre gedachten, wetten en geboden, waaruit weer nieuwe starre gedachten, wetten en geboden voortkomen, enz.

Deze foto had dan ook helemaal niets te maken met de eigenlijke Yin & Yang betekenis.

Ik was geen Tonio, die natuurlijk meteen doorhad wat voor een schitterende foto deze compositie zou kunnen opleveren. Maar ook hij moest hebben gezien wat dit beeld, naast de esthetisch waarde, vooral ook in zich herbergde: evenwicht, geborgenheid, veiligheid, warmte, liefde, vrede, ja vooral vrede: vrede ten opzichte van elkaar, vrede met elkaar.

Het kon niet anders, of ook voor Tonio waren het die karakteristieken, die de misschien wel onbewuste, maar zeker dieper liggende aanleiding vormden om deze foto te maken.

Was het toeval dat deze foto stamde uit de tijd dat we ons juist in een ontspannen, harmonieus periode van ons leven bevonden? Tonio had zijn eindexamen gehaald en zat op de Foto-Academie. Adri had inmiddels al twee jaar zijn C-pap apparaat in gebruik, waardoor gelukkig niet alleen zijn dodelijke vermoeidheid verdwenen was, maar ook en vooral, dat de mogelijk levensgevaarlijke aanslag op zijn organen onder controle was en de stemmingswisselingen tot een minimum beperkt bleven. Die verbeteringen kwamen kwam niet alleen zijn werk, maar ook onze relatie ten goede.

Ik werkte parttime op de mediatheek van het ROC, richting kunst en dans, gaf daar schrijfcursussen en was daarnaast bezig met een lang essay/boekje over Jean-Paul Sartre. Dat is nooit verschenen, maar vormde wel de aanzet voor het schrijven van een nieuwe roman.

In 2009, het jaar voor Tonio’s overlijden, dacht ik zelfs regelmatig hoe gelukkig ik was, dat we het zo goed hadden met zijn drieën, dat ons nog nooit iets ergs was overkomen. En nee, ik geloof natuurlijk niet dat ik daarmee het onheil over ons heb afgeroepen. Het is een cadeau om aan dat welzijn terug te kunnen denken.

 

 

De eerste voorzichtige schreden van Tygo & Tasha

kruipende kittens

Tonio lijkt zijn fotografen oog bewust te hebben laten vallen op het grijze en rode kitten in het centrum van het verterende hoopje jonge katjes – die tussen het eveneens grijze exemplaar hier op de voorgrond, waarvan alleen het achterhoofd is te zien, en die van het tweede rode mini katertje, het verst in beeld. Daarmee geeft hij mij het gevoel dat ik samen met hem het moment suprême meemaak van zijn keuze voor die middelste twee hummeltjes als onze toekomstige huisgenoten.

Ik weet, gezien de tekening van hun vacht, die ik na al die jaren vanzelfsprekend door en door ken, dat het Tygo & Tasha zijn.

Raakte Tonio geïnspireerd door de achterliggende gedachte dat hij van de twee kittens een eerste voorzichtige kennismaking met elkaar aan het vastleggen was?  Dat hij getuige was van het ontstaan van een – zo klein als ze waren – hechte broer-zus relatie, misschien zelfs van het begin van een bijzondere vriendschap, die hopelijk  tot het einde van hun leven zou mogen voortduren?

Als Tonio met het nemen van deze foto zijn voorkeur voor die twee kleine boefjes liet blijken, moest hij nog veel geduld opbrengen. Het echte moment van kiezen zou pas over zes weken zijn en de kittens mochten we uiteindelijk met veertien weken met ons mee naar huis nemen.

Toen die spannende dag was aangebroken, waren de twee katjes van de foto hierboven samen met een balletje een soort voetbal aan het spelen, om vervolgens al judoend over de grond te rollen. Het was duidelijk: ze hoorden bij elkaar, ze vormden een hecht ‘team’. De kans dat ze door anderen uit elkaar gerukt zouden worden was al genoeg reden om voor deze twee ‘peuters’ te kiezen en niet toch voor dat andere koppel ‘grijs en rood’.

 

 

 

Tygo & Tasha samen met broertje en zusjes drinkend bij hun moeder

kitten bij mpeder drinkend

Daar gingen Tonio en ik, op weg om voor de eerste keer een nestje van pas twee weken oude Noorse Boskat kittens te bezoeken bij een Cattery in Veghel. Adri liet dit uitstapje graag aan zich voorbij gaan. Hij en Brabant vormde geen gelukkige huwelijk. Nog altijd ergerde hij zich hardop wanneer op de televisie een item aan Brabant was gewijd en er een Brabants sprekend persoon aan het woord kwam. Een klein, niet helemaal diep en stevig genoeg weggestopt trauma zullen we maar zeggen. Gelukkig kon hij er tegelijkertijd de humor wel van inzien. Toen ik hem een keer de vraag voorlegde waarom de provincie Brabant zo vaak in het nieuws was, zei hij droog: ‘Het is nou eenmaal een grote provincie.’

Tonio en ik waren het er al in een eerder stadium over eens geworden: Cattery was een vreselijk woord, en toen we eenmaal Veghel binnenreden, werden we door grote silo’s langs de weg – als waren het immens grote Populieren die statisch, want geen wind – verwelkomd. Omdat we al snel te weten kwamen dat de kattenbrokken die Tygo & Tasha aten, van het merk Royal Canin uit Veghel kwamen, rees bij ons het sterke vermoeden dat in die cementen bullebakken van torens het voer voor katten en honden lag opgeslagen.

Het werd Tonio en mijzelf duidelijk dat we op deze plek nog niet dood gevonden wilden worden. Een wens die alleen maar versterkt werd nadat we de auto geparkeerd hadden en in de fuik van de plaatselijke kermis annex braderie liepen.

Eenmaal binnen in de Cattery vielen al onze eerdere bezwaren weg. Daar lag ze, mama Noorse Boskat in haar bench, met aan haar buikzijde vijf bolletjes Noorse Boskat kittens, vijf kleine bonthoopjes, twee grijze, twee rode en één cyperse. Nooit gedacht dat een Noorse Boskat wat de vacht betreft, eenzelfde tekening als die van een  Cyperse kat kon hebben. Mijn besluit stond meteen vast: die Cyperse was voor mij. Een fractie van een seconde later zei de heer des huizes: ‘Die Cyperse houden we in elk geval zelf.’ Tonio had ook al meteen een keuze gemaakt: één rood en één grijs exemplaar. Gelukkig hoefde hij nog niet te besluiten welk van de twee rode en de twee grijze Noorse Boskat kittens. Ze mochten de eerste veertien weken nog niet meegeven worden.

De kittens hadden zich allemaal stevig aan mama’s tepels vastgezogen; niemand die nu hun aandacht kon opeisen.De vacht van mama Noorse Boskat zelf was een samenstelling van de kleuren van haar kittens: een Noorse Boskat als lapjeskat verkleed.

Zag Tonio door het oog van zijn camera mama Noorse Boskat op dezelfde manier naar hem kijken zoals ze nu bij mij overkwam met haar blik? Een lieve, zachte uitstraling, ook heel licht argwanend, op haar hoede, misschien zelfs een klein beetje angstig, maar ook iets standvastig en eigenwijs; alsof ze wilde zeggen: jullie krijgen mij en mijn ‘kids’ hier nooit weg. Ondertussen kwam dat uiterlijk van mama poes nu ik Tygo & Tasha zo goed kende me bekend voor. Mocht Tonio deze foto later nog eens hebben bekeken, dan zag hij wat ik nu ook zie: Tygo en Tasha hadden van hun mama allebei twee zichtbaar verschillende kenmerken geërfd, door een innerlijke kijk op de wereld bepaald. Mama Noorse Boskat had de blik van Tygo en Tasha in zich verenigd. Daarnaast viel ook de beschouwende uitdrukking in haar gezicht op. Een gelaatsuitdrukking naar buiten, maar ook naar binnen gekeerd: Om teleurstellingen te voorkomen: een filosofische Noorse Boskat zou ze nooit worden, net zo min als Tygo &Tasha.

Als ik dan toch aan het vergelijken ben: Bij Tonio was ik van twee dingen zeker: zijn voorhoofd en zijn bruine ogen had hij van mij. Zijn haar had Tonio duidelijk van beiden, met zijn donker, krullend haar. Wat Tonio zeker van Adri had geërfd, was zijn – een vreselijk woord – charisma. Als Tonio ergens binnenkwam, zo vertelden zijn vrienden, dan gebeurde er iets. Identiek aan de ervaring die ik met Adri altijd heb.

 

 

 

Een tijdelijk katloze huishouding

Er waren eens een grijze half ras Noorse Boskat, een tiental tekeningen van Adri’s dikke rode kater en een probleem was geboren.

Na de dood van Cypri wilde ik weer een cyperse kat en vond ik het niet meer dan logisch dan om die ook nu, net als bij Cypri, uit het asiel te halen. Tonio dacht daar helaas anders over: hij wilde een Noorse Boskat en een dikke, rode, knuffelkater, verenigd in één exemplaar. Het ‘merk’ Noorse Boskat had hij nota bene leren kennen in het asiel, toen we daar met Hinde voor haarzelf een cypers poesje uit gingen zoeken. Het verlangen naar een omvangrijke rode kater kwam van Adri vandaan door de schetsen van zijn rode kater, door hemzelf gemaakt en getoond aan Tonio, vanzelfsprekend ingekleed en aangedikt met mooie verhalen.

Adri opperde twee katten te nemen. Dat was gezelliger voor ze. Daar was ik het wel mee eens. Dan hoefde er ook geen discussie te ontstaan of we nu voor de dikke rode kater – voorkeur van Tonio – of een kleine cyperse poes – voorkeur van mij- moesten kiezen. Beide waren meer dan welkom.

Alleen: twee ras katten in huis nemen, terwijl de asielen vol zaten met eenzame, in de steek gelaten katten, niet welkom geheten in het bejaardentehuis met zijn/haar baasje of bazinnetje, dat ging er bij mij niet in.

Ik wist Tonio’s wens anderhalf jaar te negeren en bij mijn eigen standpunt te blijven. Maar daarmee haalde je geen kat, zeker geen twee, in huis en dat was wat we eigenlijk alle drie wel wilden.

Mijn zus – ook een voorstander van asieldieren – belde me zelfs op een avond op, terwijl Adri, Tonio en ik, op vakantie in Lugano, een pizza zaten te eten – om te laten weten dat ze zulke leuke cyperse kittens had gezien op de site van het Amsterdamse dierenasiel.

Maar zolang Tonio deze optie niet aanvaardbaar vond, gebeurde er niets.

Op een avond zeurde Tonio voor de zoveelste keer aan mijn kop om twee! – met dank aan Adri – Noorse Boskatten. Ik weet niet waarom, maar ik zei: ‘Oké, ik ga wel even op internet kijken.’ Dát had ik dus niet moeten doen. Bij de eerste de beste foto van een nestje Noorse Boskatten was ik verkocht. Ik stuurde een mailtje naar de desbetreffende cattery of Tonio en ik langs konden komen en kreeg ‘per kerende post’ te horen dat we aanstaande zondag welkom waren.

Ik vervloekte mezelf: wat had ik in godsnaam gedaan.

Cypri’s laatste rustplaats: in een wijnkistje

cypri in wijnkisteje

Cypri lag hier op het zachte kussen van de rotan fauteuil in mijn werkkamer: haar lievelingsplek. Ik zag mijzelf en Tonio, hoe we over haar heen gebogen stonden, haar aaiden, haar onder de kin krabbelden en lieve woordjes tegen haar zeiden: alles, om haar zoveel mogelijk te vertroetelen in afwachting van de dierenarts.

Even daarvoor waren Tonio en ik bij de luxe wijnhandel, ‘De Gouden Ton’, op de Koninginneweg, geweest om een houten kistje te kopen.

Het gezicht van de verkoper lichtte op toen hij mij binnen zag komen. Op dat moment realiseerde ik me dat ik hier al heel lang niet geweest was, terwijl Adri en ik ons in de loop van de jaren heel wat flessen bijzondere wijnen, door de wijnhandelaar aangeraden, goed hadden laten smaken. Niet dat we naar de concurrent waren overgelopen. Gewoon een kwestie van verandering van voorkeur voor drank: vodka en Gin-tonic. Toch gaf het me een ongemakkelijk gevoel.

‘Mevrouw van der Heijden, (Hij kende mijn achternaam niet. Die van Adri natuurlijk wel) wat mag ik voor u doen,’ vroeg de verkoper enthousiast, terwijl hij zich in zijn handen wreef.

‘We zijn op zoek naar een houten kistje,’ zei ik, en zag Tonio heftig met zijn hoofd knikken.

‘Ah, wijn cadeau doen, dat heeft altijd iets feestelijks. Is het voor één fles?

‘Uh… nee… , voor twee of drie,’ zei ik, terwijl ik me inmiddels rot geneerde.

De winkelier dook onder de toonbank om met twee formaten kistjes weer tevoorschijn te komen.

‘Wat denk je, Tonio,’ zei ik, terwijl ik me snel naar hem omdraaide, te schijterig om de verkoper in de ogen te kijken.

‘Die voor twee is groot genoeg,’ zei Tonio stellig.

De verkoper legde de kist voor drie flessen opzij.

‘Nu komt de belangrijkste vraag: met welke wijn wilt u het graag gevuld hebben?’

Godzijdank nam Tonio, alsof het volkomen vanzelfsprekend was, het woord en hij begon, zonder ook maar enige scrupule, over Cypri te vertellen, dat we haar straks zouden laten inslapen om haar vervolgens in het kistje in onze tuin te begraven.

Het gezicht van de verkoper verstrakte. Hij was duidelijk van zijn á propos gebracht. Maar hij herpakte zichzelf snel.

‘Nooit eerder gehoord, deze bestemming voor één van onze mooie wijnkistjes, maar goed idee,’ zei hij tegen Tonio en gaf hem, ietwat geforceerd, een klapje op zijn schouder. ‘Je weet zeker dat deze groot genoeg is?’ vervolgde hij.

‘Hij is vet cool,’ was Tonio’s enige reactie.

De verkoper deed voor hoe je het middenschotje van de kist er zonder moeite kon uithalen, vroeg of we er ook wat stro bij wilden hebben, wat we afsloegen, duwde Tonio het ‘tweepersoons’ kistje in zijn handen, wenste ons heel veel sterkte en zonder te hoeven betalen stonden wij, voor we er erg in hadden, weer buiten.

Waren het dan toch de vele oude Barolo’s Riserva, door Adri hier in de loop van de jaren heen vandaan gehaald, die hadden meegespeeld bij dit sympathieke gebaar? Alles wees er tenslotte op dat dit bezoek van Tonio en mij aan de wijnhandel zeker geen garantie was voor een hernieuwd innig contact tussen ‘De gouden ton’ en Adri. Trouwens, onze flessen hoefden nooit in een kistje. We dronken de wijn lekker meteen zelf op.

De verkoper wilde ons gewoon snel kwijt, dat leek me een veel plausibelere verklaring. Hij vond het een onsmakelijk idee, een dode kat in één van zijn wijnkistjes. Gaf hem eens ongelijk, dacht ik. Op dat moment viel het me ineens op hoezeer zo’n wijnkistje leek op een echte grafkist, ook gemaakt van blank vurenhout. Op begrafenissen stoorde ik me er aan dat de nabestaanden bijna altijd voor één van de goedkoopste soort laatste behuizing van hun dierbare kozen.

Ik keek weer naar de foto met Cypri en vroeg me af of de ietwat berustende blik die uit haar ogen sprak, verraadde dat ze op dat moment al wist wat er komen ging. Een kat mocht dan wel slechts hersenen hebben ter grootte van een erwt – zoals Tonio altijd plagerig zei als ik weer eens op juichende toon vertelde wat Cypri nu weer voor geweldigs had gedaan – iets goed aanvoelen deed ze als geen ander.

Gek, je dacht je kat na zestien jaar door en door te kennen en toch sloeg daar ineens de twijfel toe. Lag Cypri daadwerkelijk te wachten op de dierenarts die haar zou laten inslapen?

Rond 1998, dus jaren voor haar door ons vastgesteld moment van overlijden, kreeg Cypri last van een vergroeide ruggenwervel, waarna de voorgeschreven pijnstillers op den duur suikerziekte veroorzaakte, wat vervolgens leidde tot een niet te stillen dorst, terwijl ze tegelijkertijd steeds minder grip had op haar blaasspieren

In die periode, toen ik vooral bezig was te bedenken hoe ik het proces, waarin het huis in een soort openbare kattenbak dreigde te veranderen, tot stilstand kon brengen, worstelde Cypri met die vernederende momenten van het ongecontroleerd lozen van haar urine: op het tapijt in de woonkamer, op ons beddek, op de traploper, op de keukenvloer, etc.

Cypri was hard op weg de macht over zichzelf kwijt te raken. Toen dat tot ons doordrong was de keuze haar te laten inslapen niet makkelijk, maar wel snel gemaakt.

Cypri, zoals te zien op deze foto, besefte dat aan die hopeloze situatie definitief een einde zou komen. Ik wist het nu zeker. Dát was wat bij haar die berustende blik veroorzaakte.

Tussen de aankomst van de dierenarts en het toedienen van het spuitje dat Cypri in een definitieve slaap zou brengen, maakte Tonio deze foto van haar.

De dierenarts excuseerde zich. Hij was vergeten ons te waarschuwen dat dieren, net als mensen, bij het intreden van de dood, meestal hun urine lieten lopen.

Het viel me ineens op hoezeer zo’n wijnkistje leek op een echte grafkist, doordat het ook van blank vurenhout gemaakt is, één van de goedkoopste soorten. Verschil: wijnkistjes waren alleen summier geschuurd, maar veel verontrustender: de naden sloten slecht op elkaar aan. Ik moest denken aan de droom van Frits van Egters in De Avonden, over een lijk dat in ontbinding was en waarvan het lijkenvocht, tijdens de verplaatsing van de grafkist over de trap, door de bodem heen sijpelde.

Snel zorgde ik voor een plastic vuilniszak op de houten ondergrond en vlijden Tonio en ik Cypri vervolgens voorzichtig in het kistje. Liet toch uitgerekend ons plaswonder helemaal droog blijven

Cypri ligt – net als Runner, Tonio’s Russische dwerghamster – tot op de dag van vandaag in onze tuin begraven, inmiddels onder een betegelde vloer. Soms vraag ik me af of er nog iets over is van het kistje.

Cypri in wipstoeltje Tonio

 

Cypri in wipstoeltje01122015Baaffie gaat over in Cypri

Zomer 1987. Adri en ik woonden in een prachtige flat op de bovenste verdieping in ‘Huize Oldenhoek’ in de Jacob Obrechtstraat, de straat waar ik in de CIZ geboren ben. Bovendien was het de straat die de straat waar ik toen met mijn ouders en Hinde woonde, de Frans van Mierisstraat, doorsneed.

Adri was naar Frankrijk vertrokken om daar aan zijn roman Advocaat van de hanen te werken. Eerst in Arle, waar ik me na verloop van tijd bij hem aansloot, om vervolgens samen zes weken in gehuurd deel van een huis in Aix-en-Provence door te brengen. Terwijl Adri daar doorschreef aan zijn roman, werkte ik aan een eigen opgezette project voor mijn studie Nederlandes Taal- en Letterkunde: het schrijven van een literatuurgeschiedenisboek in de vorm van een detective.

Gelukkig hadden de huiseigenaren, een echtpaar met twee zonen, twee katten waar ik me tussen het werken door mee vermaakte. De grijze heette Grizelle en de Cyperse luisterde naar de naam Popey.

Na ongeveer vijf weken, we hadden op ons bordes gegeten en zaten nog aan de wijn, nagenietend, toen Adri ineens voorstelde een kind te nemen. Een hele gebeurtenis, zou je denken, net als wanner hij mij ten huwelijk zou hebben gevraagd. Maar het was niet zo opmerkelijk als het leek. Adri had door de jaren heen regelmatig tegen mij zijn kinderwens geuit, maar tot nu toe was mijn weerwoord daarop dat ik me nog niet in staat voelde om zo’n verantwoordelijke taak op me te nemen.

Deze keer zei ik direct ‘ja’. Aan Adri’s gezicht te zien was hij helemaal overdonderd, had hij deze reactie niet verwacht. Misschien leefde hij wel met het idee dat er nooit een kind zou komen. Ik, op mijn beurt, had me in een zeldzaam lucide moment gerealiseerd dat bij al die afwijzingen van mijn kant een heel ander motief had gespeeld, dan die zogenaamde verantwoordelijkheid.

Wat zich bij mij voordeed, was de angst dat ik vanaf de geboorte van ons kind alleen nog maar moeder zou zijn, dat de hele verzorging op mij terecht zou komen. Een eigen ‘carrière’? Forget it. Maar ik deed toch niet voor niets de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde, die ik nota bene nog niet eens had afgerond. Mijn bezorgdheid was niet alleen niet ongegrond, hij was terecht.

Voor Adri was schrijven net als ademhalen: dat kon niet even stilgelegd worden, dat zou zijn dood betekenen. Maar juist deze totale overgave, deze als schrijver volkomen concessieloze manier van leven, was precies de reden waarom ik vanaf moment één wist dat ik voor altijd samen met hem wilde zijn. Nooit eerder had ik een scheppend persoon ontmoet die zo oprecht samenviel met zijn werk.

Het was daarom erg naïef van mij te denken dat met de komst van een baby verandering zou komen in Adri’s gepassioneerdheid wat het schrijven betreft. Bovendien wilde ik dat ook helemaal niet. Dan zou datgene in Adri waar ik zo van hield verdwijnen.

Het was evenwel niet voor niets dat mijn ene ‘ja’ daarom gevolgd werd door het telkens herhalen van ongeveer deze woorden: ‘Maar ik wil niet alleen voor ons kind zorgen. Ik wil ook zelf werken.’ Het werd uiteindelijk bijna een soort mantra. Adri raakte er door geïrriteerd, viel tegen me uit; dan moesten we het maar niet doen, maar uiteindelijk probeerde hij gerust te stellen met een goedbedoelde, maar even simpele als onwerkelijke – ook in de betekenis van niet werkend – oplossing van het probleem: Hij zou een draadje om zijn grote teen binden en dat naar de baby leiden. Als die onrustig werd zou Adri dat meteen aan zijn grote teen voelen. Ook zei hij de baby makkelijk in een wipstoeltje bij hem op één van zijn bureaus te kunnen zetten en zelf verder te schrijven.

Nadat we het eens waren geworden over ‘ons’ kind wilde Adri zo snel mogelijk naar huis, naar Amsterdam. Alsof de realisatie van ons plan niet in Frankrijk kon plaatsvinden. (wat achteraf wel degelijk het geval was geweest). Wel maakten we een korte tussenstop bij Adri’s ouders in Eindhoven, omdat we die afspraak al geruime tijd geleden hadden gemaakt. Daar kreeg ik een telefoontje van mijn vader: Ze hadden Baaffie moeten laten inslapen. Ze had het al lange tijd aan haar niertjes, maar haar lijden was nu echt te groot geworden.

Mijn vader zei in de jaren daarna, eigenlijk tot niet lang voor zijn dood hoe vreselijk hij het had gevonden, dat Baaffie bij hem op schoot een spuitje kreeg om in te slapen. Hij zei nooit meer zoiets te willen meemaken. Pas na mijn vaders dood begreep ik hoe het vreselijke verdriet om de dood van zijn ouders en zussen, dat hij om verder te kunnen leven, altijd verdrongen had, in die van Baaffie was gaan zitten. Mijn vader voelde zich verantwoordelijk voor de dood van zijn ouders en zussen* en ook voor Baaffie: hij wist wat er voor haar komen ging, hij had haar vermoord.

Adri, die wist hoe veel ik van Baaffie hield, kwam met het voorstel om direct naar het dierenasiel van Eindhoven te gaan, om een nieuwe kat uit te zoeken. Vervolgens koppelde hij deze actie aan onze wens een kind te krijgen: zo konden we vast oefenen op een wezen dat afhankelijk was van onze goede zorgen.

Ik koos opnieuw een cypers poesje uit en noemde haar Cypri.

Meteen de eerste nacht thuis viel ze van de wasmand in de badkuip en had ze twee gekneusde achterpootjes. Dat had tot gevolg dat ze inderdaad bijna als een baby verzorgd moest worden. Ze kon bijvoorbeeld niet zelf naar de kattenbak lopen en wilde alleen maar eten als ik haar voerde: banaan in plaats van kattenbrokjes of nat kattenvoer. Ik vroeg me af of het ooit nog goed zou komen met deze kat. Maar gelukkig, binnen een paar dagen was Cypri genezen en gedroeg ze zich volkomen normaal. Geen banaan meer voor mevrouw.

Toen negen maanden later Tonio werd geboren, liep de spanning weer even op: zou Cypri ons nieuwe gezinslid accepteren? Het eerste wat ze deed was Tonio in zijn wiegje opzoeken en besnuffelen, wat natuurlijk eigenlijk niet mocht, maar het was duidelijk als een soort welkom groet bedoeld. Vanaf dat moment ging alles goed tussen Tonio en Cypri. Op een dag troffen we haar zelfs aan in Tonio’s wipstoeltje. Of zou er toch jaloezie in het spel zijn of de wens tot annexatie dat Cypri dreef. Als je goed naar deze foto keek, zag je dat ze wel heel schuldbewust uit haar ogen keek. Of was dit weer één van de vele onzinnige menselijke interpretaties van het kattenbrein.

Vlooienplaag

Zwarte katZwarte katToen ik op mijn negentiende het huis uitging om met Hinde een beneden woning in een kraakpand te betrekken, liet ik Baaffie bij mijn ouders achter. Het zou zielig zijn haar uit haar vertrouwde omgeving los te rukken, zo stelde ik. Bovendien had Hinde twee katten, dus ruzie verzekerd en zonder Cypri was er dus genoeg te knuffelen.
Ons samenwonen werd niet zo’n succes. Zo goed als we zoveel jaren van kleins af aan met elkaar waren omgegaan, zo beroerd ging het nu. Ik voelde me bovendien ook een buitenstaander bij de rest van de krakers in de twee naast elkaar gelegen panden. Ze vonden mij, geloof ik, een kakmadame. Dat was ik niet, maar het klopte wel dat ik me nogal afsloot van de rest van de bewoners. Bij het woord ‘huisetentjes’ werd ik al een beetje naar. Ik hield niet van dat soort semi-commune achtige gedoe.
Maar het was wel in dít huis, waar ik Adri leerde kennen en die kennismaking had mijn verdere leven bepaald: mooi en tragisch tegelijk.
Toen Hinde op het laatste moment liet weten mij er bij nader inzien niet bij wilde hebben op het geplande een tripje – ook met Frans, de broer van Adri met wie ze inmiddels een relatie had – naar Parijs, was voor mij de maat vol. Dit was het einde van ons samenwonen. Ik besloot iets voor mezelf te zoeken.
Wat ik toen niet wist: Dat Hinde haar soms brute manier van mij afwijzen, lag aan haar slechte psychische gesteldheid waarin ze verkeerde. Wat ik toen ook niet wist: Dat ik er zelf ook behoorlijk beroerd aan toe was. Ik was toch het stralende meisje waar andere mensen zo blij van werden?
Hoe dan ook, op de Da Costakade in Amsterdam Oud-West vond ik een kamer, te huur gezet door een oude man van tachtig jaar, die alleen de etage bewoonde, samen met zijn kat, een volledig zwarte kat, niet de kleur die ik een kat als meest knuffelbaar beschouw. Dat laatste alleen al kon op mijn sympathie rekenen. De voorkamer was van de oude man, de achterkamer kreeg ik. De badkamer deelden we, wat ik meteen een onaantrekkelijk idee vond. Maar ik was zo blij iets voor mezelf te hebben gevonden dat ik toezegde en vol energie mijn kamer ging verven, alles wit, inclusief de houten vloer. Dat was me een rot werk! Elke spleet tussen de houten planken moest met verf gevuld worden, maar er was geen ruimte was identiek. De ene had een bodemloze put, het hout van de ander was gespleten tot zulke dunne reepjes hout dat de verf er geen vat op had.
De vloer was nog maar net droog en Elsemijn bleef als gevolg van het bukken tijdelijk gebukt lopen, toen ze een donker plekje in de verf zag. Ze wreef er met haar middelvinger overheen en maakte daarmee het plekje alleen maar groter. Ze realiseerde zich dat het de witte verf was die losliet. Ze kon zo een heel stuk, als was het een vel op een beker warme melk, van de vloer trekken. In alle staten terug bij de verfverkoper zei deze:
‘Dan moet hij in de was zijn gezet.’
Omdat ik niet meteen reageerde herhaalde hij zijn conclusie. Het zou slim van me geweest zijn die vloer voor de zekerheid helemaal te hebben ontvet. Die boodschap had de verfverkoper mij moeten meegeven voordat ik aan die klus begon.
Toen ik eindelijk mijn eerste nacht op mijn nieuwe kamer wilde doorbrengen, bleek er een vlooienplaag te zijn uitgebroken van mythische proporties. Zodra ik ook maar één stap in het huis zette, werd ik door vlooien besprongen en waren mijn onderbenen in no time helemaal zwart en rood – na het opzuigen van mijn bloed – van de vlooien. De oude man bleek niet in staat zijn kat, die onder de vlooien zat, te verzorgen. Ik ontvluchtte het huis.
Een bijna surrealistische wending van het verhaal: ik, als poezengek, werd vanwege een vlooienplaag gedwongen door een kat haar kamer te verlaten.
Jaren later, mijn ouders waren op vakantie, mocht Adri gedurende die periode in hun huis werken. Bij ons, op de Van Ostadestraat was teveel burenherrie. Op de derde dag hij aan de eettafel zat te schrijven, viel het hem op dat het witte tafellaken, dat er ter bescherming overheen lag, bezaaid was met zwarte puntjes en er daartussen de vlooien, al dan niet gevuld met bloed, rondsprongen.
Adri vluchtte weg, maar liep nog weken met door vlooienbeten aangetaste onderbenen. Hij had niet eens de gelegenheid gehad mijn kamer te zien.
Ik ging weer tijdelijk bij mijn ouders wonen, totdat ik iets nieuws gevonden zou hebben. Dat was nog niet zo makkelijk, maar het opnieuw in één huis wonen met mijn ouders was duizend maal erger, vond ik totaal onleefbaar. Zelfs de aanwezigheid van Baaffie gaf geen verlichting. De spanning die er tussen hen onderling bestond, maar vooral ook de nervositeit en ongeremde gedrag van mijn moeder vormde een onhanteerbare psychische belasting voor mezelf.
De enige oplossing die ik kon bedenken was bij Adri intrekken. Hij was niet meteen enthousiast en liet zich in latere jaren nog wel eens ontvallen dat hij dat helemaal niet zo snel had gewild. Voor mij zou het waarschijnlijk ook beter geweest zijn als ik wat langer alleen had gewoond. Ik was eigenlijk min of meer vanuit het ouderlijk huis in het huis van Adri gerold. Ik had nooit echt geleerd om alleen in de wereld te functioneren.

Baaffie

Baaffie27112015_2Baaffie

Het was een huishouden van Jan Steen, daar in dat piepkleine huisje aan de Benedenweg in St. Pancras waar tante Baaf en André woonden. Het keukentje bestond uit niet veel meer dan een fornuis en een aanrecht, met in de gootsteen het vuile vaatwerk dat hoog stond opgestapeld. Alles wat koel moest blijven werd in de deel gezet. Verder stond er altijd een pannetje op het petroleumcomfort, waar de geur van te lang gekookte kool – witte, rode, groene of zuurkool – uit opsteeg.
In het petieterige huiskamertje slingerde van alles rond: kranten, tijdschriften, (waaronder de Prinses en de Alkmaarsche Courant) schone was die gevouwen of gestreken moest worden, allerlei prullaria, planten, heel veel planten, breiwerkjes, enzovoort.
Het was ook een huishouden zonder kinderen, met een tante die geen echte tante was van mij en Hinde. Baaf was ook niet de vrouw van André, maar zijn huishoudster. Hoewel… er deden verhalen de ronde dat ze wel degelijk iets met elkaar hadden.
Dat rommelige huishouden vonden wij, de twee zusjes juist fijn. Als het maar even kon, snelden we naar tante Baaf, nadat we de veel te warme huiskamer van Tante en Oom waren ontvlucht. Dat echtpaar had onze moeder en één van haar zussen bij hun laten onderduiken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook Tante en Oom waren geen familie. Dat we ze Tante en Oom noemden, als waren het voornamen, benadrukte het belang van hun positie binnen ons gezin. Toch was het tante Baaf die Hinde en ik de allerliefste onechte tante vonden die er zijn kon.
Bij tante Baaf en André troffen we bijna altijd een nest jonge poesjes, wat voor Hinde en mij – beiden kattengek – één groot feest was. We vleiden ons op de grond en bleven roerloos liggen, zodat één of meerdere van die kleine donzige bolletjes zich met hun scherpe nageltjes, hakend in onze kleding, tegen ons op klauterden. Dat de meeste van die jonge poesjes uiteindelijk door André verdronken werden – in het zo protestantse St. Pancras was de pil, zelfs voor dieren, uit den boze – vonden Hinde en ik wel vreselijk, maar we schikken ons naar de mores van die tijd en die plek.
Uiteindelijk was ik het, die één van de katjes wist te redden van de verdrinkingsdood. Na jarenlang zeuren bij mijn ouders om een kat, mocht ik er uiteindelijk eentje uitzoeken uit één van de nestjes van tante Baaf. Dat werd Baaffie, die naam gaf ik het lieve Cyperse poesje.

Tonio met camera en sigaret

Tonio met camera en sigaretAch, natuurlijk! Nu wist ik waarom ik me zo thuis voelde bij de afbeelding op de foto. Ik zag het zelfportret van Tonio voor me, nee, niet die als Oscar Wilde, maar de beeltenis, gebruikt op de cover van de mid-price editie van het boek Tonio: een zelfportret van Tonio met de camera voor zijn oog. Als je de twee foto’s met elkaar vergeleek: die met Tygo en die met camera, zag je hoe de compositie bij alle twee zodanig was, dat je oog zich eerst richtte op datgene wat een deel van het zicht op Tonio gezicht belemmerde. Bij de ene foto was dat het fototoestel, door Tonio’s hand zodanig in de aanslag genomen, dat hij elk moment leek te kunnen afdrukken. Bij de andere foto was het Tygo, door Tonio’s arm vastgeklemd. Heel belangrijk: Bij beide foto’s was bijna het zelfde deel van Tonio’s gezicht bedekt.

Eenmaal opgelucht dat ik antwoord had gekregen op mijn prangende vraag, realiseerde ik me ineens dat er naast alles wat er al over Tonio was geschreven en verteld, met als de requiemroman als onuitputtelijke bron, er nóg een belangrijke rode draad door het leven van Tonio liep: Tonio’s liefde voor katten, van mij geërfd. Het was dus ook nog eens heel nadrukkelijk een rode draad die hem met mij verbond.

In de loop van de jaren had ik Adri verscheidene keren gevraagd een boek te schrijven over Tygo & Tasha, tot het een soort running gag werd en ik Adri, smekend op mijn knieën de vraag keer op keer stelde. Waarom eigenlijk? Ik ging zelf over Tygo & Tasha schrijven, T & T aan de hand van foto’s die Tonio van de twee heeft genomen, te beginnen bij het eerste contact met T & T toen ze twee weken oud waren. T & T als uitgangspunt voor het leven van Tonio, Adri en mijzelf, en nog verder als het zich aandiende, het leven van Adri’s ouders, mijn ouders, Adri’s broer en zus, mijn zus.

Dat zijn camera een hele belangrijke plaats innam in Tonio’s leven, wist ik al langer, maar dat zijn affectie voor katten zo groot was, werd mij pas duidelijk na het zien van al die foto’s.

De dood van mijn eerste poes, Baaffie, toen zij zestien was en ik zevenentwintig, het besluit om meteen naar het asiel te gaan voor een nieuw poesje, Cypri, én mijn zwangerschap van Tonio gingen bijna naadloos in elkaar over. Daarom moet mijn verhaal wel van start gaan met Baaffie, mijn eerste kat.

 

 

Tygo, Tasha & Tonio

Tonio en Tygo voor Blog boekTygo, prominent aanwezig op de cover foto en stevig vastgehouden door Tonio, zijn baasje, zag er uit als een volwassen kat. Maar, íets in de afbeelding vertelde mij een ander verhaal. Dat van een Tygo die nog jong was en zeker niet de reusachtige Noorse Boskat kon zijn die hij ooit zou worden, met een omvang, ongeveer de helft van die van Tonio’s torso.
Tygo’s leeftijd werd niet verraden door zijn stevig voorpoten. Ook was het niet zijn staart – normaal gesproken een enorme weelderige, soepel buigzame plumeau, hier half verborgen – die iets prijsgaf. Zelfs aan zijn kraag – ongeveer zoals bij een leeuw – was onduidelijk te zien of hij volgroeid was en vormde dus geen bewijs. Dan zou ik nog eerder afgaan op zijn in gedachten verzonken, ernstig volwassen blik.
De oplossing zat ‘m in Tygo’s oren. Op deze foto waren ze qua formaat in perfecte harmonie met zijn kop. De oren van de volwassen Tygo daarentegen, van wie het lichaam volgroeid was, zou uiteindelijk in verhouding tot zijn kop te klein blijken te zijn.
Ik plaagde Tygo er wel eens mee.
‘Zo zul je nooit de prijs van mooiste Noorse Boskat in de wacht slepen.’
Tygo kreeg een sombere blik.
‘We moeten toch maar eens een afspraak maken met de cosmetisch arts Robert Schumacher,’ zei ik dan.
Hij keek me niet begrijpend aan.
‘Om je oortjes wat op te rekken.’
Ik wist vervolgens niet hoe snel ik me moest uitputten in verontschuldigingen en bedolf Tygo’s oortjes onder de kussen. Hij zuchtte, ging zwaar onder gebukt onder mijn kussenregen, (Adri: ‘Minchen, een kat begríjpt jouw kussen niet.’) maar liet het gelaten toe.
Ondanks dat op de foto van Tonio’s gezicht maar de helft zichtbaar was, viel het op dat hij nog een echte gladde jongenswang had, zonder ook maar één baardhaartje. Hij zou dus een jaar of vijftien zijn. Zijn linkeroog gaf mij genoeg informatie om te weten dat het gezicht van Tonio achter die kop van Tygo, een beetje besmuikte, maar ook trotse glimlach vertoonde. Het was tenslotte Tonio’s dikke, rode knuffelkater van wie hij zielsveel houdt.
Toen ik er tenslotte eindelijk toe kwam de foto in zijn geheel te bekijken, overviel me een gevoel van vertrouwdheid, alsof het om een foto ging, tot icoon verheven, ongeveer zoals was gebeurd met de foto van Tonio als Oscar Wilde.
Daar was wel een lange weg aan vooraf gegaan. Het begon ermee dat Adri en ik de foto samen met een brief naar honderden mensen stuurden om het overlijden van Tonio bekend te maken en als dank voor de vele woorden van troost. Vervolgens besloten we dat de foto op de cover van het boek Tonio moest komen te staan en gebruikte ik ‘Oscar Wilde’ in een brief bij het werven van stemmen voor de NS Publieksprijs. Tenslotte werd de foto ook overgenomen bij de Duitse, de Chinese, de Roemeense en Engelse vertaling van het boek.
Maar deze foto zag ik voor het eerst, dat wist ik zeker, ook al werkte mijn geheugen sinds het overlijden van Tonio, door wat ik een psychische hersenkneuzing was gaan noemen, niet meer optimaal. Het ging weliswaar om één van de honderden, zo niet duizenden foto’s die Tonio gedurende de paar jaar van zijn jonge leven gemaakt had, maar waarom ik de foto nooit kon hebben vergeten en een eerdere kennismaking daardoor zeker nooit had plaatsgevonden, was de uniciteit ervan.
Bij het doornemen van Tonio’s foto archief was ik ongelooflijk veel foto’s tegengekomen die Tonio van T & T had gemaakt en ook zaten er legio zelfportretten van hemzelf bij. Alleen, foto’s van Tonio samen met één van zijn of beide katten ontbraken. Totdat dus deze ene foto opdook. Ik had me suf gepeinsd over waar voor mij die intimiteit van de foto vandaan kon komen, zelfs zo erg dat ik er ‘s nachts van wakker lag. Moi, die al bij het zien van haar bed in slaap viel.
Uiteindelijk stelde ik me de vraag of het misschien niet alleen te maken had om wíe erop stond, maar ook hóe: de compositie. Sinds Tonio dood, waren zijn afbeeldingen op foto’s voor mij zijn schamele plaatsvervangers en daarbij lette ik niet op kwaliteit. Nou ja, of de foto’s scherp waren was dan nog wel van belang. Ik had dus helemaal geen aandacht besteed aan de compositie, terwijl Tonio zelf altijd daarmee bezig was. Volgens Adri – ik heb daar niet zo’n verstand van – had Tonio daar een goede kijk op.