Jitschok Ehrlich

Jitschok Ehrlich06032016_8

Toeval is er voortdurend in ons dagelijks leven. Hoe vaak zeg je niet tegen een ander: ‘Dat is ook toevallig?’ Meestal klopt dat: het gaat om een gelijktijdigheid die niet te voorzien was.

Soms lijkt er toch meer aan de hand. Omdat de roman die ik na De stalkster wil gaan schrijven de levensgeschiedenis van mijn vader als uitgangspunt heeft, ben ik nu al tussen de bedrijven door allerlei documentatiemateriaal aan het verzamelen. Daar horen ook de persoonlijke spullen van mijn vader bij. Mijn oude werkkamer op de begane grond in het huis is de afgelopen jaren veranderd in een opslagruimte met spullen uit het ouderlijk huis, uit het joodse verzorgingstehuis ‘Beth Shalom’, waar mijn vader twee jaar gewoond heeft, het huis van mijn moeder en van het verzorgingstehuis ‘De buitenhof’, waar zij de laatste jaren woonde.  Ik kwam er maar niet toe om orde te gaan scheppen in die ‘mesthoop’. Te veel, te beladen, te alles. Maar vanmorgen was daar ineens echte zin om er in te duiken. Die omslag heeft zeker te maken met de noodzaak voor mij om ook over zoveel mogelijk persoonlijk documentatie materiaal te kunnen beschikken. Daar is al zo weinig van, dus elke snipper is meegenomen.

In die voormalige werkkamer zijn er een  paar planken gevuld met boeken van mijn vader. Ik kan ze niet lezen, aangezien ze in het Jiddisj of Hebreeuws zijn geschreven, maar dat is niet erg. Integendeel, zou ik er haast aan willen toevoegen. Het gegeven dát deze werken geheimen bevatten, die voor mij niet te ontsluiten zijn, behoort óók tot het gemis aan kennis over mijn vaders leven. En het is juist dát tekort wat mijn uitgangspunt is.

Onder de boeken bevond zich ook Beelden voor ogen. Een fotografisch verslag van het joodse leven in Polen tussen 1864 en 1939. In maar liefst twee talen: het Nederlands en het Engels. Daar moest wel iets meer mee aan de hand zijn. Mijn vader beheerste veel talen, maar juist níet het Engels. Ik nam de Nederlandse versie van het boek mee naar boven om het eens rustig door te bladeren. Allereerst keek ik in het register of de geboorteplaats van mijn vader, Budzanow, er in stond. Dat was niet het geval, maar Chortkow, waar het gezin ook gewoond had, stond wel vermeld. Ik sloeg het op de gegeven pagina open. Vier bladzijden verder stuitte ik op een foto van een man met een kleine jongen op zijn rug. In grote letters stond eronder ‘Een leven van lernen.’ In de begeleidende tekst is sprake van jongetjes die al vanaf hun derde levensjaar de hele dag op school, het Cheider, doorbrachten. Laat dat nou een levenslang trauma voor mijn vader zijn geweest: Een leven van lernen. Hij was één van die kinderen die nooit kind had kunnen zijn omdat hij vanaf zijn derde naar het Cheider moest. Dat gemis zal één van de belangrijke pijlers zijn in mijn boek over mijn vader.

Die man op de foto is een ‘belfer’ – ongetwijfeld een Jiddij woord – iemand die kinderen naar het Cheider bracht en daar orde moest houden. Mijn vader had het er altijd over dat hij alleen naar school en terug naar huis moest wandelden, ook in de winter als het donker was, want de lessen op het Cheider gingen door tot in de avond. Nu neem ik aan dat mijn vader ouder was toen hij zelfstandig naar school ging. Maar het kan heel goed dat hij als klein ventje ook op de rug van zo’n ‘belfer’ naar het Cheider werd gedragen en daarvandaan weer naar huis.

Ik las de naam van deze man: Jitschok Ehrlich en er ging een schok door me heen. Precies die combinatie van voor- en achternaam droeg één van de belangrijkste personages in mijn debuutroman: Salieristraat No. 100. Die naam had ik zeker niet uit dit boek. Ik weet namelijk nog heel goed dat ik  op zoek ben gegaan naar een voornaam én een achternaam. En niet zomaar een naam. De roman wordt bevolkt door  fantasieën, leugens, waanbeelden van het vrouwelijk hoofdpersonage. Ik wilde benadrukken dat deze man helemaal eerlijk, helder en normaal was. Dat moest voor de lezer al door de achternaam duidelijk zijn. Ik zocht een Joods Jiddisje naam en kwam bij ‘Ehrlich’ terecht. Dat ‘Jitschok’ had daarentegen weer iets van schrik in zich.

Aangezien ik in niets geloof, moet ik dit geval zien als toeval. Maar het levert mij wel meteen een mooi beeld op van mijn vader in de roman: zoals hij mij vroeger als klein meisje vaak op zijn schouders nam, zo werd hij misschien door de ‘belfer’ gedragen. Wie weet was dat het enige moment in zijn leven als klein kind dat hij zich ook als kind mocht en kon voelen.

 

 

 

Advertenties