Beth Shalom

Deze foto die Tonio van zijn opa heeft gemaakt, stamt nog uit de tijd dat mijn vader nog niet in Beth Shalom woonde, maar door de week wel daar ging eten. Dat was niet in de eetzaal van het verzorgingshuis, maar in een apart ‘restaurant’ Nesjomme. Ik bracht en haalde hem met de auto. Ik ben blij dat hij niet deze Corona crisis in Beth Shalom heeft hoeven meemaken. Het idee dat hij met zo’n tube in de keel en liggend op zijn buik – hoe mensonterend – wekenlang in kunstmatige coma zou moeten liggen, doet me huiveren.

Paniekstoornis

Waar het mij in de bijna tien jaar van Tonio’s verscheiden gelukt was om aan te ontsnappen, had ik, werkend aan het boek over mijn vader, blijkbaar niet in de hand: het ontwikkelen van een paniekstoornis of depressie, twee ziektes die vaak samen gaan. Een paniekstoornis heb ik nooit gehad, maar een depressie wel en ik was erg bang daar na Tonio’s dood in terecht te komen, wetende wat zo’n mentale inzinking behelst.

Wanneer je naar een synoniem zoekt voor depressie, kom je al snel terecht bij het woord neerslachtigheid. Een ongelukkiger keuze dan dit equivalent is niet denkbaar voor zo’n dramatisch ingrijpende psychische en fysieke – want met een belangrijk chemische component – ziekte. Een ziekte die in het hoofd een verwoestende uitwerking heeft, soms zodanig, dat suicide uiteindelijk de enige uitweg is voor degene die aan en onder de depressie lijdt. Niet omdat die persoon dood wil, maar omdat hij rust wil. Als er voor deze sterveling geen medicijn of therapie blijkt te bestaan, is de dood zijn enige uitweg.

In mijn geval – ik kan niet voor anderen spreken – zijn er duidelijke tekenen die aan een paniekstoornis of depressie vooraf gaan. Het overkwam mij eind vorige week. Ik stond ’s avonds in de keuken en keek op zeker moment naar buiten en wie zag ik daar op de schutting staan? IJsbrandt. Ik schrok zo erg, dat ik het kopje, bezig schoon te maken, uit mijn handen liet vallen. Ik dacht dat ik de schutting ooit zodanig hoog had laten maken, dat de katten er met geen mogelijkheid op konden springen. Dit ging ook jarenlang goed. Tot op dat moment, dus. IJsbrandt op de schutting betekende dat hij door alle binnentuinen kon rondzwerven en dat wilde ik koste wat kost voorkomen. Ik haalde hem snel van de omheining af, zette wat grote, lege bloempotten op de bloembakken die er al stonden en meende zeker te weten dat dit voldoende bescherming bood.

De volgende morgen ging de huisbel. In de intercom klonk de stem van de buurman : ‘Volgens mij staat een van jouw katten bij ons in de tuin.’ Ik racete naar beneden, botste bijna op IJsbrandt en deed de voordeur open. De buurman liet op zijn telefooneen foto van IJsbrandt zien, die verbaasd door het raam van de buren naar binnen keek.

Het eerste wat ik deed was het kattenluikje dicht doen en een kattenbak binnen neerzetten. Mijn tweede ingeving: de klusjesman bellen om de schutting te laten verhogen. Direct daarop dacht ik: als ik de werksters tijdens deze corona crisis niet toelaat in mijn huis, dan geldt dat ook voor de klusjesman. De buurman bood mij aan om samen naar een oplossing te zoeken voor de de schutting. Ik maakte een afspraak met hem voor de volgende dag.

Toen het moment bijna daar was, kreeg ik hartkloppingen, ik begon te hyperventileren en kon alleen maar heel hard huilen. Ik zegde de afspraak met de buurman af; liet hem weten dat ik het niet aankon. De drie daaropvolgende dagen kwamen die aanvallen nog een paar keer voor, steeds wanneer ik iets moest. Ik dacht daarom aan een burn-out, niet veroorzaakt door hard werken, maar door tien jaar lang een gevecht te hebben gevoerd om me staande te houden na de dood van Tonio.

Toen, ineens, hoorde ik een hele duidelijke klik in mijn hoofd en werd ik me bewust van de inhoud onder mijn schedeldak. Ik voelde dat er daarbinnen verschuivingen optraden. Hierdoor bezag ik niet meer met een heldere blik de wereld om me heen. Ik zat opgesloten in mijn hoofd, ik was één met mijn hoofd. De normale wereld was voor mij onbereikbaar aan het worden. Op dat moment drong tot me door bezig te zijn een paniekstoornis te ontwikkelen.

Ik realiseerde me dat in dit geval niet Tonio de katalysator was voor dat angstaanjagende gestoei in mijn hoofd, maar dat het project over het leven van mijn vader de schuldige was. Niet omdat het schrijven aan het boek niet goed ging. Integendeel. Ik was begonnen met nauwelijks kennis over zijn leven en nu deed ik zoveel belangrijke vondsten. Dat was mooi, en ik was ook zeer dankbaar dat internet het mij mogelijk maakte er een rijk project van te maken, maar al die details waren ook heel confronterend, de uitwerking ervan drong door tot diep in mijn hart. En wat miste ik die man! Ik besloot het werk aan mijn boek even opzij te leggen. Dat vond ik wel erg jammer omdat het juist zo goed ging. Maar een paniekstoornis kon ik er echt niet bij hebben. Ik vond het leven zonder dat al ingewikkeld genoeg.

Of de heersende corona crisis ten dele ook verantwoordelijk was voor die dreigende paniekstoornis weet ik niet. Dat maakt ook niet zoveel uit.  

Uittreksel Bevolkingsregister

Gisteren boog ik me over uittreksels uit het bevolkingsregister van drie van mijn vaders zussen en van zijn ouders. Het zal nogal omslachtig klinken voor de meesten onder u, maar de woorden opa en oma krijg ik niet uit mijn strot. Opa en oma zijn benamingen die kleinkinderen gebruiken voor het aanspreken van de ouders van hun moeder en vader. Ik heb nooit de woorden opa en oma gebruikt, omdat ik ze niet in levende lijve heb meegemaakt. De woorden opa en oma staan voor mij dan ook niet voor gezelligheid, veiligheid, een dikke knuffel, en lekkers. Daarbij zijn de ouders van mijn vader (en zijn zussen) niet op natuurlijke wijze overleden, maar vermoord: vergast en verbrand door de nazi’s.

Misschien kunt u enigszins navoelen hoe zwaar het me zou vallen mijn mond zodang te vormen, mijn tong daarin zijn werk te laten doen en tezamen met de lucht uit mijn longen, die twee woorden uit te spreken. En hoe vreemd het mij te moede zou zijn om die woorden opa en oma uit mijn eigen mond te horen komen.

Wel genoot ik altijd van de klanken wanneer Tonio de woorden opa en oma uitsprak, als kind met een hoog ijl stemmetje, tot aan de volwassen kleinzoon die zich met een diepe stem tot hen richtte. Nu is er nooit meer iemand die opa en oma zegt, ook niet bij het ophalen van een herinnering. De enige die daarvoor in aanmerking had kunnen komen, is Tonio, was Tonio.

 

Carnaval in Aalst

De carnavalsoptocht van Aalst werd vorig jaar geschrapt als immaterieel erfgoed van de Unesco vanwege de praalwagens met antisemitische stereotypes. In december zou gestemd worden of Aalst op de werelderfgoedlijst mocht blijven, maar het stadsbestuur besloot de eer aan zichzelf te houden en deed zelf afstand van zijn plek op de lijst. Liever dan dat ging men door met de misselijkmakende lol.Op een van de eerste praalwagens in de stoet stonden mannen met haakneuzen en pijpekrullen (en met opmerkelijk lange tenen) Langs de kant van de weg stonden ondertussen mensen die zich hadden uitgedost met plastic haakneuzen en pruiken met pijpekrullen, en waren er buttons waarop het logo van Aalst was verwerkt tot een davidster.

Nu ik me zo diep in jouw leven heb ingegraven, papa, volgezogen van vernietiging, staat dit ‘vermaak’ zo ver van me af dat ik me tot het uiterste moet dwingen om de afschuwelijke betekenis ervan tot me door te laten dringen.

Heimwee

Iedereen is het er over eens dat er een groot verschil is tussen het verliezen van een ouder en het verliezen van een kind. Vier jaar na het overlijden van Tonio stierf mijn vader. De eerste anderhalf jaar deed mij zijn afwezigheid helemaal niets. Daarvoor was Tonio’s gemis te groot. En toen opeens was het verdriet en het gemis er wel. Nu, nog eens bijna zes jaar later, kan ik zeggen dat het gemis naar mijn vader de vorm heeft aangenomen van heimwee, of, beter gezegd, heimwee naar het samen zijn met hem. Het gaat mij dan niet om de vader van toen ik de volwassen leeftijd had bereikt, maar de vader van toen ik kind was.

Mijn heimwee is gerelateerd aan twee onbereikbare omstandigheden. Voor de fase in mijn leven waar ik het over heb, moet ik terug in de tijd, zou ik weer kind moeten zijn. Omdat de heimwee gekoppeld is aan mijn vader, zou hij eerst weer tot leven gewekt moeten worden om vervolgens terug te gaan in de tijd, tot hij de leeftijd bereikt zou hebben van toen ik nog kind was.

Ik moet even stilstaan bij het woord heimwee. Ik realiseer me dat heimwee hebben heel anders van toepassing is als het om mijn vader gaat, dan in het geval van Tonio. Ik kan zeggen dat ik heimwee heb naar de situatie waarin mijn vader en ik samen in het meer van Lugano zwemmen. Het woord heimwee heeft dan iets zachtaardigs in zich. Betrek ik heimwee op het leven met Tonio, bijvoorbeeld een bezoek aan Artis, dan drukt het een verscheurd gevoel uit.

Als kind had ik heel erg last van heimwee en later ontdekte ik dat ik ook als volwassen vrouw snel aan heimwee leed, bijvoorbeeld wanneer we met z’n drieën opvakantie waren. Maar de heimwee als kind veroorzaakte een vergelijkbaar snijdende pijn als de heimwee naar Tonio en de heimwee op oudere leeftijd leek meer op het melancholieke van heimwee naar mijn vader. 

Eliahoe, de informatieve stoorzender

Ik had net mijn laatste woord, gericht tot jou, papa, opgeschreven, toen ik voetstappen achter me hoorde. Ik draaide me om naar de deur van mijn werkkamer die half open stond, speciaal voor de katten, die daardoor vrijelijk in- en uit konden lopen, maar ik zag niemand.
Ineens was daar een stem:
‘U bent toch Mirjam Rotenstreich?’
Ik schrok dusdanig, dat ik, zoals altijd bij mij in situaties dat ik me bedreigd voel, mijn boven- en ondergebit op elkaar klapte, dit keer zo hard, dat een pijngolf mijn kin en aangezicht doortrok.
‘De jongste dochter van Natan Rotenstreich?’
Voorzichtig en enigszins angstig keek ik om me heen, onderwijl mijn gezicht aan beide kanten bij de scharnierpunten van mijn gebit masserend, maar nog steeds was ik de enige aanwezige in de kamer.
‘U kunt mij inderdaad niet zien, maar ik u wel.’
In plaats van de stem van een voor mij onzichtbaar wezen nog als griezelig te ervaren, raakte ik geïrriteerd.
‘Wie bent u,’ vroeg ik kortaf.
‘De profeet Eliahoe.’
‘En ik ben Mirjam, de zus van Mozes.’
‘Ik, Eliahoe, ben het echt.’
‘Sorry, ik ben niet in de stemming voor dit soort grapjes.’
‘Het is vanwege een serieuze zaak die u aangaat dat ik u bezoek.’
Plotseling herinnerde ik me dat zinnetjes, vergelijkbaar als ‘Ineens was daar een stem’ vaak voorkwamen wanneer er werd voorgelezen uit de Tora, vroeger, tijdens de joodse les op Rosj Pina, mijn lagere school. Toen zag ik daar niks vreemds in. Maar nooit had ik meegemaakt dat zo’n stem ook in werkelijkheid zijn stem liet horen.
‘Al bij de Brit Mila van uw vader stond er voor mij een stoel klaar,’ zei de stem.
‘Dat herinnert u zich nog?’
Hoorde ik het goed? Was ik het, Mirjam Rotenstreich, die nergens in geloofde, die alle geloven verafschuwde, maar dan nu wel serieus inging op een verklaring van een stem, behorend bij iemand die zich een profeet noemt, maar waarvan ‘vanzelfsprekend’ een fysieke aanwezigheid ontbrak.
‘Herinneren is niet het goede woord, maar aangezien uw vader ter wereld kwam in een orthodox joods gezin, kan het niet anders dan dat ze rekening hielden met mijn aanwezigheid.’
‘Dat moet ik dan maar aannemen, of te wel geloven?’ Iets in mij dwong me het gesprek met deze stem die verkondigde bij de profeet Eliahoe te behoren, voort te zetten.
‘Er kon in uw vader, net als in alle andere acht dagen oude jongetjes, een verlosser schuilen. Ik moest dus paraat staan.’
‘En, zeg me Eliahoe, hoe verliep mijn vaders ‘sollicitatiegesprek?’
’Zeker is dat er in hem geen Messias schuil ging.’
‘Dat moet voor u een hele teleurstelling zijn geweest om voor de zoveelste keer voor niets acte de présence te moeten hebben geven.’
‘Het was in elk geval niet de reden om later geen gebruik te maken van de gastvrijheid, elke Seideravond, bij jullie thuis.’
Daar raakte Eliahoe een gevoelige snaar. Aan de Seideravonden bewaarde ik één van mijn fijnste jeugdherinneringen en speciaal één daarvan kwam terug in mijn herinnering. Ik was een jaar of zeven, ik stond in de huiskamer voor de deur naar de gang en moest, zoals elk jaar, de deur opendoen voor de profeet Eliahoe. Op de schoorsteen stond, ook zoals dat hoorde, een glas zoete rode wijn op hem te wachten. Ik duwde de klink naar beneden, opende langzaam de deur en keek de gang in. Zoals verwacht: niemand. Toen dacht ik: als ik de wijn zelf opdrink, misschien dat de Messias denkt dat ík Eliahoe ben en hij me dan vanzelf achteraan komt. Ik dronk het hele glas in één keer leeg, met als resultaat dat mijn vader me dronken naar bed moest dragen. Daardoor kon ik niet meer zoeken naar de Afikoman, het stuk matze, dat onze ouders altijd voor Hinde en mij verstopte en waarmee we na de vondst ervan recht hadden op een cadeautje. Gelukkig kreeg ik de volgende dag alsnog mijn presentje.
‘Mirjam Rotenstreich?’ riep Eliahoe.
Ik ontwaakte uit mijn gedachten en vroeg, direct weer scherp: ‘Wat is dan wel de reden waarom u op geen van die Seideravonden bent komen opdagen?’
‘Daar was geen noodzaak toe.’
‘O, nee? Ik zou bijna gaan lachen als achter uw antwoord niet zo’n vreselijke onkunde stak, of eigenlijk domheid, iemand met uw taak onwaardig. Wat dacht u ervan dat met de Messias in uw kielzog mijn vader zijn familie had teruggekregen, mijn moeder haar eigen moeder, haar zus Mathilde en haar oudste zus Emma met man en dochtertje.’
‘Ik begrijp uw boosheid en het spijt mij zeer, maar ik kan alleen tot actie overgaan als de Messias mij daartoe opdracht geeft.’
‘Komt u mij vertellen dat die ‘verlosser’, wie dat ook mag zijn, alsnog zo direct komt opdagen, los van de Seideravond, en iedereen zal terug ‘toveren’, nu inclusief mijn vader, overleden in 2014 en mijn moeder, overleden in 2015 En laten we Tonio niet vergeten, overleden in 2010.
Diepe zucht van Eliahoe. ‘Was dat maar waar.’
‘Dat is nou precies waarom ik zo’n hekel heb aan het geloof: misbruik maken van de wanhoop van kwetsbare mensen. Geen enkel regime zo dictatoriaal en wreed voor de mensheid als het geloof, elk geloof. Toon uw gezicht en u kunt er een stomp van mijn vuist op verwachten.’
Toen zei Eliahoe heel zacht: ‘Ik heb zelf ook meer dan genoeg van die jaarlijks terugkerende stoelendans rond de Messias. Al die mensen die ik keer op keer moet teleurstellen. U weet niet hoeveel drek ik over me heen krijg, terwijl: don’t shoot the messenger.’
‘Pardon,’ zei ik.’
‘Ik heb me door de jaren heen meer hedendaagse taal aangeleerd, inclusief buitenlandse uitdrukkingen’ zei Eliahoe. ‘Maar om terug te keren naar het onderwerp: Als ik op die Seideravond geen teken van leven krijg van die ‘verlosser’ kan ik niks doen. Heel frustrerend, vooral omdat mijn leven juist voornamelijk bestaat uit het zich erbarmen over het joodse volk, met de hulp van God.’
‘Zoals het tot leven wekken van het zoontje van die arme weduwe in Sidon, die je eerder al, zolang de hongersnood zou voortduren, voorzag van meel en olie.’
Eliaoe was even stil.
‘Uit al die verhalen, die ik jarenlang, elke dag, elke week, elke maand opnieuw uit het oude testament voorgelezen kreeg, en waarin alles uiteindelijk goed komt, is het niet vreemd dat sinds de dood van mijn kind, juist díe vertelling boven is komen drijven.’
‘Dan kan het u, Mirjam Rotenstreich, ook niet heel erg verbazen dat ik hier ben om u mijn hulp aan te bieden.’
‘U gaat Tonio uit de dood terughalen,’ schreeuwde ik. ‘Zeg dat het waar is, dat u mij mijn kind gaat terugbezorgen. Alstublieft, kom tevoorschijn, ik wil u omhelzen.’ De stilte trad in. Ik huilde zonder geluid te maken, maar de tranen die in overvloed uit mijn ogen stroomden, bewezen hoe diep het verlangen van mij naar Tonio zat.
‘Nee,’ zei Eliahoe, u begrijpt mij verkeerd. Uw zoon weer tot leven wekken kan ik helaas niet, dat wil zeggen, nog niet, misschien ooit.’
Mijn huilen sloeg in een keer dood, de traanklieren stopten met de aanmaak van vocht. Hoe was het mogelijk dat ik er in was gestonken. Niet alleen praten met de Profeet, maar ook nog geloven dat hij bestond en als ultiem waanbeeld: zich verbeelden dat hij inderdaad bovenmenselijke krachten bezat, zoals in de vertelling over dat zoontje uit Sidon.
‘Ga weg, jij niet bestaand monster,’ riep ik Eliahoe toe.
‘Geef me de kans u te vertellen wat ik wil doen voor u.’
‘Het enige wat ik wil is Tonio weer bij me hebben. Verder interesseert mij niets.’
‘Met uw permissie,’ zei Eliahoe, ‘Dat is niet helemaal waar. U bent met uw vader bezig en ik wil u graag assisteren bij de zoektocht naar zijn leven.’
‘Geen behoefte aan.’
‘Alleen maar de dingen waarbij het u niet lukt om erachter te komen,’ zei Eliahoe.
‘Dat brengt mijn uitgangspunt van en werkwijze aan het boek in gevaar,’ zei ik.
‘Hoe kan bij het schrijven van een levensgeschiedenis meer kennis leiden tot een kwalitatief minder goed boek?’
‘Het heeft niks met kwaliteit van doen, maar met de poëtische lading die het boek moet hebben.’
‘Zie mij dan niet als Eliahoe, maar bijvoorbeeld als uw Informatieve Stoorzender.’
‘We zullen zien.’

Nooit meer

Dezer dagen dat we de bevrijding van Auschwitz herdenken, hebben we onze mond vol van de dramatische woorden ‘Nooit meer Auschwitz’ en benadrukken we dat elke vorm van antisemitisme direct bestreden moet worden. Dat we nooit meer mogen wegkijken van alles dat daar naar riekt. Elk weldenkend mens kan daar alleen maar mee instemmen. Maar waarom is deze houding ten opzichte van Jodenhaat in de praktijk zo weinig te vinden, laat staan de actieve rol die daar uit zou moet voortvloeien.

Laten we het voorbeeld nemen van het Koshere restaurant Hacarmel op de Amstelveenseweg in Amsterdam, dat in 2017 slachtoffer was van antisemitisch geweld, door NRC Handelsblad ‘vandalistische acties’ genoemd. Tja, een ruit ingooien zou je kunnen scharen onder het kopje vandalisme, maar als iemand, daarbij een Palestijnse shawl om heeft en daarbij ‘Allahu akbar’ roept, werpt dat toch een heel ander licht op het gebeuren.

Daarna was het restaurant nog een aantal keren het doel van zeer onaangenaam gedrag, waaronder de ruiten die besmeurd werden met eieren en mayonaise en voor de tweede keer het inslaan van de ruiten.

De eigenaar Sami Bar-on vertelt dat er wekelijks tegen zijn ramen wordt gespuugd. Daarnaast krijgt hij ook vaak anonieme telefoontjes. Dan wordt er ‘Palestina vrij’ geroepen of ‘Allah Akbar’.

Joodse organisaties reageerden geschokt op deze aanvallen en ook daarbuiten gaven mensen blijk van hun afschuw.

Nu werd er twee weken geleden op de stoep van datzelfde restaurant een verdacht pakje aangetroffen. Het gebied rondom Hacarmel werd afgezet en de Explosieve Opruimingsdienst Defensie kwam er aan te pas, samen met een bomexpert van de politie en een robot. Het bleek loos alarm, de afzetting verdween, maar dat wil niet zeggen dat we het niet als alarmerend moeten opvatten. Nu stond er nog een kartonnen doos waar twee – zo bleek na onderzoek – onschuldige draden uit hingen, maar de volgende keer?

Ik verwachtte dat de gemeente, de politiek, op de een of andere manier een daad zou stellen, maar niets van dat al. Het werd heel erg stil en daarmee komt ‘Nooit meer’ juist heel dichtbij.