Heimwee

Iedereen is het er over eens dat er een groot verschil is tussen het verliezen van een ouder en het verliezen van een kind. Vier jaar na het overlijden van Tonio stierf mijn vader. De eerste anderhalf jaar deed mij zijn afwezigheid helemaal niets. Daarvoor was Tonio’s gemis te groot. En toen opeens was het verdriet en het gemis er wel. Nu, nog eens bijna zes jaar later, kan ik zeggen dat het gemis naar mijn vader de vorm heeft aangenomen van heimwee, of, beter gezegd, heimwee naar het samen zijn met hem. Het gaat mij dan niet om de vader van toen ik de volwassen leeftijd had bereikt, maar de vader van toen ik kind was.

Mijn heimwee is gerelateerd aan twee onbereikbare omstandigheden. Voor de fase in mijn leven waar ik het over heb, moet ik terug in de tijd, zou ik weer kind moeten zijn. Omdat de heimwee gekoppeld is aan mijn vader, zou hij eerst weer tot leven gewekt moeten worden om vervolgens terug te gaan in de tijd, tot hij de leeftijd bereikt zou hebben van toen ik nog kind was.

Ik moet even stilstaan bij het woord heimwee. Ik realiseer me dat heimwee hebben heel anders van toepassing is als het om mijn vader gaat, dan in het geval van Tonio. Ik kan zeggen dat ik heimwee heb naar de situatie waarin mijn vader en ik samen in het meer van Lugano zwemmen. Het woord heimwee heeft dan iets zachtaardigs in zich. Betrek ik heimwee op het leven met Tonio, bijvoorbeeld een bezoek aan Artis, dan drukt het een verscheurd gevoel uit.

Als kind had ik heel erg last van heimwee en later ontdekte ik dat ik ook als volwassen vrouw snel aan heimwee leed, bijvoorbeeld wanneer we met z’n drieën opvakantie waren. Maar de heimwee als kind veroorzaakte een vergelijkbaar snijdende pijn als de heimwee naar Tonio en de heimwee op oudere leeftijd leek meer op het melancholieke van heimwee naar mijn vader. 

Eliahoe, de informatieve stoorzender

Ik had net mijn laatste woord, gericht tot jou, papa, opgeschreven, toen ik voetstappen achter me hoorde. Ik draaide me om naar de deur van mijn werkkamer die half open stond, speciaal voor de katten, die daardoor vrijelijk in- en uit konden lopen, maar ik zag niemand.
Ineens was daar een stem:
‘U bent toch Mirjam Rotenstreich?’
Ik schrok dusdanig, dat ik, zoals altijd bij mij in situaties dat ik me bedreigd voel, mijn boven- en ondergebit op elkaar klapte, dit keer zo hard, dat een pijngolf mijn kin en aangezicht doortrok.
‘De jongste dochter van Natan Rotenstreich?’
Voorzichtig en enigszins angstig keek ik om me heen, onderwijl mijn gezicht aan beide kanten bij de scharnierpunten van mijn gebit masserend, maar nog steeds was ik de enige aanwezige in de kamer.
‘U kunt mij inderdaad niet zien, maar ik u wel.’
In plaats van de stem van een voor mij onzichtbaar wezen nog als griezelig te ervaren, raakte ik geïrriteerd.
‘Wie bent u,’ vroeg ik kortaf.
‘De profeet Eliahoe.’
‘En ik ben Mirjam, de zus van Mozes.’
‘Ik, Eliahoe, ben het echt.’
‘Sorry, ik ben niet in de stemming voor dit soort grapjes.’
‘Het is vanwege een serieuze zaak die u aangaat dat ik u bezoek.’
Plotseling herinnerde ik me dat zinnetjes, vergelijkbaar als ‘Ineens was daar een stem’ vaak voorkwamen wanneer er werd voorgelezen uit de Tora, vroeger, tijdens de joodse les op Rosj Pina, mijn lagere school. Toen zag ik daar niks vreemds in. Maar nooit had ik meegemaakt dat zo’n stem ook in werkelijkheid zijn stem liet horen.
‘Al bij de Brit Mila van uw vader stond er voor mij een stoel klaar,’ zei de stem.
‘Dat herinnert u zich nog?’
Hoorde ik het goed? Was ik het, Mirjam Rotenstreich, die nergens in geloofde, die alle geloven verafschuwde, maar dan nu wel serieus inging op een verklaring van een stem, behorend bij iemand die zich een profeet noemt, maar waarvan ‘vanzelfsprekend’ een fysieke aanwezigheid ontbrak.
‘Herinneren is niet het goede woord, maar aangezien uw vader ter wereld kwam in een orthodox joods gezin, kan het niet anders dan dat ze rekening hielden met mijn aanwezigheid.’
‘Dat moet ik dan maar aannemen, of te wel geloven?’ Iets in mij dwong me het gesprek met deze stem die verkondigde bij de profeet Eliahoe te behoren, voort te zetten.
‘Er kon in uw vader, net als in alle andere acht dagen oude jongetjes, een verlosser schuilen. Ik moest dus paraat staan.’
‘En, zeg me Eliahoe, hoe verliep mijn vaders ‘sollicitatiegesprek?’
’Zeker is dat er in hem geen Messias schuil ging.’
‘Dat moet voor u een hele teleurstelling zijn geweest om voor de zoveelste keer voor niets acte de présence te moeten hebben geven.’
‘Het was in elk geval niet de reden om later geen gebruik te maken van de gastvrijheid, elke Seideravond, bij jullie thuis.’
Daar raakte Eliahoe een gevoelige snaar. Aan de Seideravonden bewaarde ik één van mijn fijnste jeugdherinneringen en speciaal één daarvan kwam terug in mijn herinnering. Ik was een jaar of zeven, ik stond in de huiskamer voor de deur naar de gang en moest, zoals elk jaar, de deur opendoen voor de profeet Eliahoe. Op de schoorsteen stond, ook zoals dat hoorde, een glas zoete rode wijn op hem te wachten. Ik duwde de klink naar beneden, opende langzaam de deur en keek de gang in. Zoals verwacht: niemand. Toen dacht ik: als ik de wijn zelf opdrink, misschien dat de Messias denkt dat ík Eliahoe ben en hij me dan vanzelf achteraan komt. Ik dronk het hele glas in één keer leeg, met als resultaat dat mijn vader me dronken naar bed moest dragen. Daardoor kon ik niet meer zoeken naar de Afikoman, het stuk matze, dat onze ouders altijd voor Hinde en mij verstopte en waarmee we na de vondst ervan recht hadden op een cadeautje. Gelukkig kreeg ik de volgende dag alsnog mijn presentje.
‘Mirjam Rotenstreich?’ riep Eliahoe.
Ik ontwaakte uit mijn gedachten en vroeg, direct weer scherp: ‘Wat is dan wel de reden waarom u op geen van die Seideravonden bent komen opdagen?’
‘Daar was geen noodzaak toe.’
‘O, nee? Ik zou bijna gaan lachen als achter uw antwoord niet zo’n vreselijke onkunde stak, of eigenlijk domheid, iemand met uw taak onwaardig. Wat dacht u ervan dat met de Messias in uw kielzog mijn vader zijn familie had teruggekregen, mijn moeder haar eigen moeder, haar zus Mathilde en haar oudste zus Emma met man en dochtertje.’
‘Ik begrijp uw boosheid en het spijt mij zeer, maar ik kan alleen tot actie overgaan als de Messias mij daartoe opdracht geeft.’
‘Komt u mij vertellen dat die ‘verlosser’, wie dat ook mag zijn, alsnog zo direct komt opdagen, los van de Seideravond, en iedereen zal terug ‘toveren’, nu inclusief mijn vader, overleden in 2014 en mijn moeder, overleden in 2015 En laten we Tonio niet vergeten, overleden in 2010.
Diepe zucht van Eliahoe. ‘Was dat maar waar.’
‘Dat is nou precies waarom ik zo’n hekel heb aan het geloof: misbruik maken van de wanhoop van kwetsbare mensen. Geen enkel regime zo dictatoriaal en wreed voor de mensheid als het geloof, elk geloof. Toon uw gezicht en u kunt er een stomp van mijn vuist op verwachten.’
Toen zei Eliahoe heel zacht: ‘Ik heb zelf ook meer dan genoeg van die jaarlijks terugkerende stoelendans rond de Messias. Al die mensen die ik keer op keer moet teleurstellen. U weet niet hoeveel drek ik over me heen krijg, terwijl: don’t shoot the messenger.’
‘Pardon,’ zei ik.’
‘Ik heb me door de jaren heen meer hedendaagse taal aangeleerd, inclusief buitenlandse uitdrukkingen’ zei Eliahoe. ‘Maar om terug te keren naar het onderwerp: Als ik op die Seideravond geen teken van leven krijg van die ‘verlosser’ kan ik niks doen. Heel frustrerend, vooral omdat mijn leven juist voornamelijk bestaat uit het zich erbarmen over het joodse volk, met de hulp van God.’
‘Zoals het tot leven wekken van het zoontje van die arme weduwe in Sidon, die je eerder al, zolang de hongersnood zou voortduren, voorzag van meel en olie.’
Eliaoe was even stil.
‘Uit al die verhalen, die ik jarenlang, elke dag, elke week, elke maand opnieuw uit het oude testament voorgelezen kreeg, en waarin alles uiteindelijk goed komt, is het niet vreemd dat sinds de dood van mijn kind, juist díe vertelling boven is komen drijven.’
‘Dan kan het u, Mirjam Rotenstreich, ook niet heel erg verbazen dat ik hier ben om u mijn hulp aan te bieden.’
‘U gaat Tonio uit de dood terughalen,’ schreeuwde ik. ‘Zeg dat het waar is, dat u mij mijn kind gaat terugbezorgen. Alstublieft, kom tevoorschijn, ik wil u omhelzen.’ De stilte trad in. Ik huilde zonder geluid te maken, maar de tranen die in overvloed uit mijn ogen stroomden, bewezen hoe diep het verlangen van mij naar Tonio zat.
‘Nee,’ zei Eliahoe, u begrijpt mij verkeerd. Uw zoon weer tot leven wekken kan ik helaas niet, dat wil zeggen, nog niet, misschien ooit.’
Mijn huilen sloeg in een keer dood, de traanklieren stopten met de aanmaak van vocht. Hoe was het mogelijk dat ik er in was gestonken. Niet alleen praten met de Profeet, maar ook nog geloven dat hij bestond en als ultiem waanbeeld: zich verbeelden dat hij inderdaad bovenmenselijke krachten bezat, zoals in de vertelling over dat zoontje uit Sidon.
‘Ga weg, jij niet bestaand monster,’ riep ik Eliahoe toe.
‘Geef me de kans u te vertellen wat ik wil doen voor u.’
‘Het enige wat ik wil is Tonio weer bij me hebben. Verder interesseert mij niets.’
‘Met uw permissie,’ zei Eliahoe, ‘Dat is niet helemaal waar. U bent met uw vader bezig en ik wil u graag assisteren bij de zoektocht naar zijn leven.’
‘Geen behoefte aan.’
‘Alleen maar de dingen waarbij het u niet lukt om erachter te komen,’ zei Eliahoe.
‘Dat brengt mijn uitgangspunt van en werkwijze aan het boek in gevaar,’ zei ik.
‘Hoe kan bij het schrijven van een levensgeschiedenis meer kennis leiden tot een kwalitatief minder goed boek?’
‘Het heeft niks met kwaliteit van doen, maar met de poëtische lading die het boek moet hebben.’
‘Zie mij dan niet als Eliahoe, maar bijvoorbeeld als uw Informatieve Stoorzender.’
‘We zullen zien.’

Nooit meer

Dezer dagen dat we de bevrijding van Auschwitz herdenken, hebben we onze mond vol van de dramatische woorden ‘Nooit meer Auschwitz’ en benadrukken we dat elke vorm van antisemitisme direct bestreden moet worden. Dat we nooit meer mogen wegkijken van alles dat daar naar riekt. Elk weldenkend mens kan daar alleen maar mee instemmen. Maar waarom is deze houding ten opzichte van Jodenhaat in de praktijk zo weinig te vinden, laat staan de actieve rol die daar uit zou moet voortvloeien.

Laten we het voorbeeld nemen van het Koshere restaurant Hacarmel op de Amstelveenseweg in Amsterdam, dat in 2017 slachtoffer was van antisemitisch geweld, door NRC Handelsblad ‘vandalistische acties’ genoemd. Tja, een ruit ingooien zou je kunnen scharen onder het kopje vandalisme, maar als iemand, daarbij een Palestijnse shawl om heeft en daarbij ‘Allahu akbar’ roept, werpt dat toch een heel ander licht op het gebeuren.

Daarna was het restaurant nog een aantal keren het doel van zeer onaangenaam gedrag, waaronder de ruiten die besmeurd werden met eieren en mayonaise en voor de tweede keer het inslaan van de ruiten.

De eigenaar Sami Bar-on vertelt dat er wekelijks tegen zijn ramen wordt gespuugd. Daarnaast krijgt hij ook vaak anonieme telefoontjes. Dan wordt er ‘Palestina vrij’ geroepen of ‘Allah Akbar’.

Joodse organisaties reageerden geschokt op deze aanvallen en ook daarbuiten gaven mensen blijk van hun afschuw.

Nu werd er twee weken geleden op de stoep van datzelfde restaurant een verdacht pakje aangetroffen. Het gebied rondom Hacarmel werd afgezet en de Explosieve Opruimingsdienst Defensie kwam er aan te pas, samen met een bomexpert van de politie en een robot. Het bleek loos alarm, de afzetting verdween, maar dat wil niet zeggen dat we het niet als alarmerend moeten opvatten. Nu stond er nog een kartonnen doos waar twee – zo bleek na onderzoek – onschuldige draden uit hingen, maar de volgende keer?

Ik verwachtte dat de gemeente, de politiek, op de een of andere manier een daad zou stellen, maar niets van dat al. Het werd heel erg stil en daarmee komt ‘Nooit meer’ juist heel dichtbij.

Vraag!

Het lukt mij maar niet om de titel van het boek waar ik nu aan bezig ben, Een krasse eeuw, als categorie naast de andere categorieën, als ‘Dagboek’, ‘Verloren mensen’, ‘De stalkster’ etc. te plaatsen. Als ik van Een krasse eeuw een nieuwe categorie maak, verschijnt het niet op mijn blog. Wie, O, Wie, weet de oplossing. Bij dit soort problemen denk ik nog altijd: Als Tonio had geleefd, had ik het hem gevraagd. Onzin, natuurlijk. Alsof hij er op zijn 31ste nog zin in zou hebben gehad en/of tijd om mij te helpen.

Jitschok Ehrlich |

Toeval is er voortdurend in ons dagelijks leven. Hoe vaak zeg je niet tegen een ander: ‘Dat is ook toevallig?’ Meestal klopt dat: het gaat om een gelijktijdigheid die niet te voorzien was. Soms lijkt er toch meer aan de hand. Omdat de roman die ik na De stalkster wil gaan schrijven de levensgeschiedenis van…
— Lees op mirjamrotenstreich.com/2016/03/06/jitschok-ehrlich/