Elk jaar opnieuw Eerste Pinksterdag

Elk jaar opnieuw Eerste Pinksterdag. Beetje rare titel. Natuurlijk is er elk jaar opnieuw een Eerste Pinksterdag, alleen is het voor Adri en mij sinds 2010 een ander soort Eerste Pinksterdag. Het was 23 mei, Eerste Pinksterdag, dat we onze Tonio verloren, met als resultaat dat we niet met één, maar met twee sterfdata zitten: 23 mei en Eerste Pinksterdag. Waarom zou je één keer doodgaan, als het ook twee keer kan, waarvan één op symbolische wijze.

Ik heb er al in eerdere jaren over geschreven, maar juist omdat er iedere jaar een Eerste Pinksterdag is, moet ik er ook iedere jaar weer aan denken. Die zondag, 23 mei 2010, zat ik net als nu, maar dan eerder, om 7.00 uur, achter mijn bureau, te werken aan de roman Verloren mensen. Had ik het boek een andere titel gegeven, zou Tonio dan nog hebben geleefd? Natuurlijk niet, maar aangezien de mens niet in staat is zoiets absoluuts als de dood ongedaan te maken, heeft hij de neiging om naar zich vast te klampen aan de ‘complot’ gedachte:’als-dan’, vergelijkbaar met het spelletje in de auto: ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en het is…rood’. ‘Mama’s lippenstift.’ Ik hoor het mezelf nog roepen, in de auto, op weg naar Lugano, met met mijn zus Hinde en onze ouders.

Ook toen, net als nu, was het schitterend weer en omdat Corona de mensheid nog niet in z’n greep hield, stonden er bijna geen auto’s in onze straat. De eigenaren hadden hun heil ergens anders gezocht, hoogstwaarschijnlijk in hun tweede huisje, dat zich in een of ander buitenland bevond. Doodstil was het buiten, ongeveer zoals de eerste paar weken na het instellen van de intelligente lockdown. Ik zat ontzettend te genieten van het schrijven aan de roman. Ik zweefde niet boven het verhaal, maar maakte onderdeel uit van de door mij gefantaseerde wereld. Zo had ik nog wel uren door kunnen gaan. In de praktijk bleken er maar twee uren in het vat te zitten. Ik kan er vanuitgaan dat veel van de lezers van dit blog bekend zijn met het vervolg van deze geschiedenis.

Een paar jaar later stuitte ik in mijn computer op een versie van Verloren mensen, uit september 2010. Ik was stomverbaasd over die datum. Voor mijn gevoel had ik pas anderhalf jaar na Toinio’s overlijden het werk aan mijn roman weer opgepakt. Door deze vondst werd het mij nog eens extra duidelijk dat het schrijven aan een boek ervoor zorgt dat ik overeind blijf, niet ten onder ga in het moeras van pijn, gemis, verdriet, heimwee. Maar het blijft een riskante situatie. Bijna elke avond die Adri en ik zonder film of serie doorbrengen, moet ik huilen, soms maar heel even, maar soms begeleiden mijn tranen het verloop van de hele avond.overlorenmensen_terverzending.jpg

 

 

23 mei 2010-23 mei 2020: Tonio 10 jaar niet meer bij ons.

Adri en ik gingen eergisteren, op Hemelvaartsdag, 21 mei, naar het graf van Tonio, omdat het zaterdag, op zijn sterfdag, geen mooi weer zou zijn.. We namen een fles Stolichnaya wodka mee met twee glaasjes, zodat we in de geest van Tonio konden toosten op het leven, want ja, hij heeft toch maar mooi bijna tweeëntwintig jaar deel uitgemaakt van het en ons leven. De rest van de fles zouden we op het graf  van Tonio achterlaten voor andere dorstige bezoekers.

Adri en ik liepen over de begraafplaats naar het graf van Tonio en zagen een groepje jongens zitten. Dat bleken Tonio’s vrienden, waaronder Joeri, die zo lief was geweest om na Tonio’s dood zijn foto’s voor mij op een externe harde schijf te zetten. Daarmee zou hij vanaf dat moment voor altijd een warm plekje in mijn hart innemen.

Het werd zo’n mooie bijeenkomst. De vier vrienden van Tonio zaten aan het bier, maar ze hadden ook wodka meegenomen en vier glazen. Zo zaten we al snel alle zes rondom Tonio’s graf aan de wodka. Het was voor het eerst na Tonio’s dood dat ik het niet alleen aankon om hun te zien, maar daar ook heel erg blij mee was. Het deed me zo goed. Echt een cadeautje. En ik voelde dat zij ook verheugd waren om ons te treffen.

Wat ik ook zo bijzonder vind en blij om ben: deze vier jongens vormen nog steeds een hechte vriendenclub. Terwijl er zoveel kan veranderen tussen je 22ste en 32ste.

Voor het eerst in tien jaar heb ik iets meegemaakt wat me werkelijk goed doet.

Ik kan jullie daar niet genoeg voor bedanken, jongens.

Lugano

Lugano.-Uitzicht-over-meer
Foto van Tonio

In de zomervakantie, 2000, twintig jaar geleden, ging ik met Tonio en mijn vader voor twee weken naar Lugano, het paradijs uit mijn jeugd, dat opnieuw een paradijs werd, ook voor Tonio. Omdat het ons beiden zo goed beviel, brachten we samen met Adri nog twee vakanties door in Lugano, in 2003 en 2006. In 2009 huurden Adri en ik een huis in Lugano voor drie maanden, om daar aan onze boeken te werken. Dat werd een grote mislukking, we waren binnen vier dagen weer terug in Amsterdam, maar die ervaring droeg zo’n goed verhaal in zich, dat ik het gebruikte voor mijn tweede roman, Verloren mensen (2013), waar ik toen aan bezig was, maar waarvan ik het leeuwendeel zou schrijven na de dood van Tonio.

Ik heb sinds ons laatste korte bezoek aan Lugano een verschrikkelijke heimwee naar dat paradijs. Maar er naartoe gaan, durfde ik de eerste jaren na de dood van Tonio niet. De stad was zo verbonden met mijn gelukkige tijd daar met mijn zoon, dat ik bang was het emotioneel niet aan te kunnen. Om mijn honger naar Lugano enigszins te stillen, kijk ik iedere dag even naar de webcams, gericht op verschilende plekken in Lugano, waaronder het meer met zijn boulevard en het Piazza della Riforma.

De laatste jaren krijg ik steeds meer de behoefte om naar Lugano af te reizen en heb ook minder angst voor dat mij daar iets zou overkomen. Eigenlijk had ik deze zomer bestemd voor een verblijf in Lugano. En als Adri niet mee wilde – wat ik heel goed zou begrijpen, hij komt al jaren het huis niet uit – dan zou ik Hinde vragen mij te vergezellen. Het enig waar ik mee zat waren IJsbrandt en Tasha. Het leek me niet slim om de verzorging aan Adri over te laten. Ik moest denken aan de keer dat Tonio en ik in de Kerstvakantie samen op Lanzarote op vakantie waren, in oudejaarsnacht Cypri verdween en Adri mij daar ’s ochtends vroeg over wakker belde. Cypri bleek zich in de kelder verstopt te hebben.

Ik ging er vanuit dat zich wel een oplossing zou aandienen inzake de katten, maar waar ik natuurlijk niet op had gerekend, was deze corona crisis. Laat nou juist Lugano de stad zijn met de eerste corona besmette patient in Zwitserland. Ticino is kwetsbaar, omdat het dichtbij de corona haard in Italie ligt en er dagelijks veel Italianen komen werken in dat canton. Er werd al snel een totale lock-down ingesteld in Zwitserland. Als ik nu naar de webcams ga, zie ik een totaal verlaten stad. Op het Piazza della Riforma zijn alle café’s en restaurants gesloten, je ziet er eens in het half uur iemand lopen, op de boulevard is een enkele jogger te bespeuren, en het hele meer is leeg, geen zeilboten, boten van het openbaar vervoer, zelfs de zwanen die daar al minstens vijfenvijftig jaar zwemmen – vanaf dat jaar kwamen we in Lugano – zijn verdwenen. Kunnen zwanen mensen besmetten? Wat hebben ze gedaan met die beesten?

Behalve dat je, nog meer dan hier, geen kant uit kunt in Lugano – je kunt voorlopig tot oktober geen hotel boeken – is het zelfs niet mogelijk om er te komen. Ook Zwitserland heeft zijn grenzen gesloten.

Ik zal met mijn ziel onder de arm nog steeds genoegen moeten nemen met de webcams die een verlaten Lugano laten zien.

 

 

Uittreksel Bevolkingsregister

Gisteren boog ik me over uittreksels uit het bevolkingsregister van drie van mijn vaders zussen en van zijn ouders. Het zal nogal omslachtig klinken voor de meesten onder u, maar de woorden opa en oma krijg ik niet uit mijn strot. Opa en oma zijn benamingen die kleinkinderen gebruiken voor het aanspreken van de ouders van hun moeder en vader. Ik heb nooit de woorden opa en oma gebruikt, omdat ik ze niet in levende lijve heb meegemaakt. De woorden opa en oma staan voor mij dan ook niet voor gezelligheid, veiligheid, een dikke knuffel, en lekkers. Daarbij zijn de ouders van mijn vader (en zijn zussen) niet op natuurlijke wijze overleden, maar vermoord: vergast en verbrand door de nazi’s.

Misschien kunt u enigszins navoelen hoe zwaar het me zou vallen mijn mond zodang te vormen, mijn tong daarin zijn werk te laten doen en tezamen met de lucht uit mijn longen, die twee woorden uit te spreken. En hoe vreemd het mij te moede zou zijn om die woorden opa en oma uit mijn eigen mond te horen komen.

Wel genoot ik altijd van de klanken wanneer Tonio de woorden opa en oma uitsprak, als kind met een hoog ijl stemmetje, tot aan de volwassen kleinzoon die zich met een diepe stem tot hen richtte. Nu is er nooit meer iemand die opa en oma zegt, ook niet bij het ophalen van een herinnering. De enige die daarvoor in aanmerking had kunnen komen, is Tonio, was Tonio.

 

Uitgeput

Het gaat per keer moeilijker, de buitenwereld instappen. Na mijn ‘optreden’ bij Vijf uur Live afgelopen donderdag, kwam ik gesloopt thuis. Waarom? Niet omdat ik had opgezien tegen het gesprek, dat ik daar zenuwachtig voor was. Ik ben altijd een vat vol faalangst geweest, maar richt een paar tv camera’s op me in een live programma, en ik word de rust zelve. Waarschijnlijk omdat ik gewoon onverschillig sta tegenover het medium televisie.

Wat me deze keer de das om deed, werd veroorzaakt door twee aspecten die een slechte chemie met elkaar aangingen. Momenteel lijd ik extra onder Tonio die er niet meer is. Waarom nu? Ik weet het niet. Ik kan allerlei argumenten aanvoeren, maar die zijn net zo goed te gebruiken voor als ik ‘gewoon’ lijd. Met deze gekwelde geest zette ik me, samen met de actrice die ‘mij’ speelt in het toneelstuk, Jacqueline Blom, aan tafel bij Daphne Bunskoek en Caroline Tensen. Er werden een aantal vragen gesteld, waaronder de vraag hoe wij ons voorbereiden op de tiende sterfdag van Tonio, of dat extra zwaar was, waarop ik zoiets kort samengevat zei als: ‘Het leven is voor mij lijden, iedere dag, nee iedere dag en nacht, want ik droom nu al bijna tien jaar lang iedere nacht dezelfde droom, dat ik op zoek ben naar een huis, een gewoon huis, of een vakantie huis voor ons drieën en ja, dat is meer een nachtmerrie.’ Door dat te zeggen, realiseerde ik me hoe waar dat was, hoe zwaar en hoe die last bij het verstrijken van de jaren alleen maar zwaarder zou worden. De volgende morgen stond ik op met iets dat hetzelfde voelde als  vroeger, als ik te veel wodka gedronken had, gecombineerd met aan een stuk door roken: een gigantische kater. Het was ondoenlijk voor me naar mijn bureau te slepen en daar achter te gaan zitten om te schrijven. Wat me nooit overkwam: ik kon de film waar we ’s avonds naar keken niet volgen, ben halverwege naar bed gegaan en heb het klokje rond geslapen. Pas nu, twee dagen later, voel ik me weer goed, vol energie.

De vraag die mij gesteld werd over één speciale datum in het leven van Tonio, zette de sluis open voor het vrijelijk laten stromen van mijn lijden aan het leven, een sluis die nooit meer dicht gaat.

Mantelzorgers

Een bericht vanmorgen op de radio trof mij diep. Het ging over de snelle vergrijzing en de ouderenzorg waar niet genoeg personeel voor te vinden is. Daar moest op gestudeerd worden, maar gelukkig was er al een voorlopige oplossing: de mantelzorger. Die zou steeds vaker moeten bijspringen. Ik vroeg me af wie mijn mantelzorger zou kunnen worden als ik oud ben en niet meer in staat voor mezelf te zorgen. Adri is acht jaar ouder, dus is de kans groot dat ik eerder voor hem zal moeten zorgen dan hij voor mij. Maar eigenlijk hou ik niet van dat soort redeneringen, sinds er een einde kwam aan Tonio’s leven toen hij pas 21 jaar was. Dan heb ik nog een zus, maar die is ook ouder. En dan houdt het zo’n beetje op. Nee, niet zo’n beetje, maar er is echt geen beschermende ring rondom mij. Ik zal heus niet de enige zijn die niet over potentiele mantelzorgers beschikt, maar in dat hele verhaal vanmorgen kwam die krapte nergens voor. Trouwens wanneer het de afgelopen jaren over de participatie maatschappij ging, waarbij de mantelzorger een belangrijke plek inneemt, werd er ook nergens gerept over de krapte op de mantelzorgersmarkt. Zo word ik dubbel gestraft: het overlijden van mijn kind met als gevolg dat ik niemand heb die in de toekomst voor mij liefdevol kan zorgen. Dat trof mij dus diep.

De drie ‘Gratiën’

Battikwa Rotstein, Abbi Mandelbaum, Elsemijn De Norman d’Audenhove. Welke naam hoort niet in dit rijtje thuis. Dat zou, als ik een bekende schrijver was,  een vraag kunnen zijn in de tv-quiz ‘De slimste mens’. Iedereen zou dan inmiddels  weten dat het hier gaat om romanpersonages uit mijn tot nu toe gepubliceerde romans. Maar waarom zou er dan één personage niet in het rijtje thuis horen.