Salieristraat No. 100

De roman Salieristraat No. 100 was mijn debuut . Nu de publicatie van mijn tweede roman, Verloren mensen, alweer een tijd achter me ligt, realiseer ik me pas hoe sterk de twee boeken bij elkaar horen. De  persoonlijkheid van de hoofdpersonages, Battikwa en Abigail, of te wel Tikki en Abbi, zijn eigenlijk één en dezelfde, met eenzelfde achtergrond. De romans zijn ook sterk autobiografisch, al hebben de gruwelijke gebeurtenissen in vooral Salieristraat No. 100 gelukkig nooit plaatsgehad.

Voor wie niet eerder in contact is gekomen met Salieristraat No. 100 heb ik er zodanig passages uitgelicht en achter elkaar gezet, dat je een redelijke indruk krijgt van het verhaal, al heb ik een belangrijke lijn wel moeten weglaten, maar daarvoor kan men altijd nog terugvallen op het boek zelf.

Salieristraat

SALIERISTRAAT NO. 100

Ruw werd Battikwa wakker geschud uit haar overpeinzingen doordat de bel ging. Zou het Guido zijn? Dat was dan wel een heel klein blokje om. Hij had pas een paar minuten geleden de deur achter zich dichtgetrokken. En dan ook nog zijn sleutel vergeten. Irritant. Ze had David in zijn ledikantje gelegd. Zoals altijd was er de zorg bij Battikwa om Davids behoorlijk matte, bijna apathische uitdrukking op zijn gezicht. Het leek de arts ongegrond. ‘U kijkt misschien iets te veel naar de “gelukkigebabyluierreclame”. Niet elke baby is het zonnetje in huis, mevrouw Rotstein. Baby’s zijn net mensen. Je hebt vrolijke, melancholische, trieste, bedachtzame en nog vele andere soorten baby’s. David is waarschijnlijk het bedachtzame type.’

Battikwa had daar zo haar twijfels over. ‘Ik heb steeds het idee dat hij het wel wil, maar het niet kan.’

‘Wat wil, en wat kan hij niet?’ vroeg de arts.

‘Nou, hij wíl wel lachen, maar het lukt hem niet. Er is iets waardoor hij geblokkeerd wordt. Dat gevoel heb ik.’

‘Ik zou het toch maar een tijdje aanzien als ik u was. Wanneer het zo blijft, kunnen we altijd nog kijken of we er iets aan moeten doen.’

‘Wat bedoelt u?’

‘Dat we hem laten onderzoeken.’

‘Door een kinderpsycholoog? Denkt u net als Guido aan autisme?

‘Bijvoorbeeld. Maar nogmaals, het gaat nu goed met David. Laten we niet gaan rommelen met hem. Hij is nog niet zo lang thuis. Hij moet eerst eens helemaal wennen en tot rust komen.’

Uit de intercom kwam alleen een brommend geluid. Battikwa liep naar beneden en opende de voordeur. Ze had haar mond al half open met de bedoeling eens flink tegen Guido uit te varen, toen ze recht in de donkere spiegels van een paar zonnebrilglazen keek. Het was een man van middelbare leeftijd die de bril droeg. Naast hem stond een vrouw die, gezien haar leeftijd, zijn echtgenote moest zijn. Achter hen ontwaarde ik een jongere vrouw. Was dat hun dochter?]

Voor Battikwa iets kon zeggen, maakte zich een stem los uit het gezicht van de man. ‘Good evening, madam, of is het nog middag?’ Hij keek op zijn horloge en zei: ‘Nee, het is net avond. My name is Ehrlich, Jitschok Ehrlich.’

Dat was opmerkelijk. Die Engelse woorden sprak de man uit met een duidelijk Amerikaanse tongval, terwijl het Nederlands zo goed als accentloos was. Hij was in ieder geval gehuld in de zo typerende Amerikaanse vrijetijdskledij: geruite katoenen broek, poloshirt en, iets wat niet echt bij hem leek te passen, een baseballpet op.

‘How shall I say? Ik wil u iets vragen. Ik heb vroeger in dit huis gewoond. As a child. Dan zijn we naar de States gevlucht. Mijn ouders, broertjes, zusjes en ik. In World War Two. Daar zijn we een nieuw leven begonnen. Ik ben nu voor het eerst hier terug. In mijn geboortestad. Together with my wife, dochter, son-in-law and twee grandchildren. Therefore ik heb een verzoek. I’d like to show them the house. Het huis waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Een belangrijk deel daarvan. I know, ik overval u hiermee vreselijk. Dus als het niet uitkomt, dan niet. Dan heb ik daar alle begrip voor. But tomorrow? Misschien dat het morgen wel mogelijk is? A short visit?’

De woorden ontsnapten hem alsof wat hij te melden had, zó lang in hem had zitten gisten dat hij het niet meer binnen kon houden. Battikwa voelde haar spieren verslappen, inclusief die van haar mond. Door de naar beneden geklapte onderkaak kreeg haar doorgaans intelligente gezicht een domme uitdrukking.

Hier vóór haar stond het antwoord op de vraag die ze zo graag wel én níet beantwoord zag: wie hier in de Tweede Wereldoorlog had gewoond. Ze twijfelde wat ze moest doen. Ze wilde het hele gezelschap meteen binnenlaten, maar durfde het niet goed aan nu Guido niet thuis was. Op een moment als dit merkte ze dat ze nog niet helemaal de oude was.

‘Mijn man is even weg. Kunt u over een halfuurtje terugkomen? Dan is hij er weer. Ik bedoel, ik ken u niet en vind het prettig als hij erbij is.’

Terwijl ze het zei, voelde ze zich al beschaamd. Waarom liet ze die mensen niet gewoon binnen? Maar het was al te laat. De man zei vriendelijk: ‘Sure. I understand. U kunt niet zomaar iedereen in huis halen. Dat doen we in New York ook niet. We will come back later.’ En weg waren ze.

‘Niet zomaar iedereen.’ Deze mensen behoorden niet tot de categorie ‘zomaar iedereen’. Voor haar had een man gestaan die ooit als kind had moeten vluchten voor de naziterreur. Hoe had ze zo bot kunnen zijn om hem en zijn familie de deur te wijzen? Ze voelde dat hij niet terug zou komen, daar leek hij te bescheiden en te beschaafd voor.

Plotseling zag ze Guido aankomen. ‘De sigarenman was nét dicht, ik wilde een krantje kopen!’ riep hij Battikwa toe. Hij stak schuin de straat over naar hun huis. Battikwa rende het gezelschap achterna dat, geattendeerd door het geluid van snelle voetstappen achter zich, stil bleef staan. ‘Mijn man is er weer,’ zei ze buiten adem. ‘Komt u alstublieft mee.’

Ze liepen terug. Toen ze voor de deur stonden, legde Battikwa in het kort de situatie aan Guido uit. ‘Natuurlijk kunt u het huis zien,’ zei Guido spontaan.

Ze begonnen op de begane grond. ‘Ach. Die kamers. Ze zijn nog precies hetzelfde,’ zei Ehrlich. ‘Alleen die tussenwand is nieuw.’

‘Die serre,’ zei Guido, ‘of wat het ook mag zijn, kent u ook niet, neem ik aan.’

‘Zeker wel.’ Ehrlich knikte nadrukkelijk met zijn hoofd.

‘Wij dachten dat het er later aan gebouwd was,’ zei Battikwa.

‘Nee, hoor. Mijn vader was hier altijd in de weer. In zijn vrije tijd dan.’

‘Wat deed hij daar?’ vroeg Battikwa, terwijl ze een cactuskwekerij voor zich zag.

‘Hij stookte hier liquor, ach, hoe noem je dat?’

‘Drank,’ zei Guido.

‘Precies, drank. U moet weten, hij was wijnimporteur. Een wijnimporteur met verstand van zaken.’ Ehrlich keek hen bijna ondeugend aan. ‘Hij had eigenlijk chemicus willen worden. Vandaar dit bescheiden laboratoriumpje. Het was geen slecht spul dat hij fabriceerde. Honderd procent zuivere wodka. Uit aardappels gestookt.’

Zo liepen ze met z’n vijven het huis door, over de trappen, door de gangen, kamer in, kamer uit. ‘Dit hier is de kamer van ons zoontje, David,’ zei Battikwa. ‘Hij ligt nu te slapen. We kunnen wel even om de hoek kijken. Graag zachtjes, ik zou het jammer vinden als hij wakker werd.’

Terwijl ze na een korte blik in David zijn kamer verder wandelden, vertelde Jitschok Ehrlich wat er was veranderd in het huis en wat nog hetzelfde was. De kamer die David nu had, was zijn kinderkamer geweest; hij had zich moeten wassen bij een wasbak in het alkoofje.

Het gezin zeilde overal langs, alsof het bang was tegen dingen aan te stoten, ze om te stoten. Maar veel aannemelijker was het omgekeerde: de angst om door dingen geraakt, aangeraakt te worden, geëmotioneerd te raken. Desondanks, of misschien juist dankzij de gecreëerde afstand, werd het een aangrijpende tocht. Vooral de dochter had het te kwaad – iedere toelichting van haar vader zorgde voor nieuwe tranen – en Battikwa begreep dat maar al te goed. Ook al was het een volwassen vrouw, het was háár vader wie dit alles ooit was aangedaan, die was losgerukt van zijn ouderlijk huis.

‘Alleen het souterrain nog,’ klonk het ver weg uit Guido’s mond.

‘Niet te geloven,’ riep Ehrlich uit, toen ze het trapje waren afgedaald en in de lage ruimte stonden.

‘Wat?’ vroeg Guido.

‘Die stellages, ze staan er nog,’ zei Ehrlich.

‘Waren die er toen ook al?’ vroeg Battikwa verbaasd.

‘Voor de wijnopslag.’

‘Waren het júllie rekken?’ riepen Battikwa en Guido tegelijkertijd.

Ehrlich gaf geen antwoord, maar zei alleen, hoorbaar aangedaan: ‘Wat bijzonder dat ze de tijd overleefd hebben.’

‘Dit alles moet voor u krankzinnig zijn, totally. Ik zal het u daarom nu vertellen. Wat de achtergrond is. Van deze rare gang naar mijn ouderlijk huis.’

‘Graag,’ zei Battikwa.

‘En hoe ik hier uiteindelijk terechtgekomen ben. Vandaag.’

‘Ja,’ zei Guido, ‘dat willen we wel horen.’

‘Laten we teruggaan naar de woonkamer,’ zei Battikwa.

Weer in de huiskamer ademde Ehrlich diep in en uit, keek beurtelings naar Guido en Battikwa en begon te praten. ‘Het gaat om de laatste wens van mijn vader. Alweer jaren geleden. Ik zat aan zijn bed. Op een middag in het ziekenhuis. Hij was ernstig ziek, cancer. Mijn vader sprak met een ijle, bibberige stem. Die paste totaal niet bij hem. Daarom luidde die stem voor mij zijn einde in. Veel meer dan de voorspelling van de artsen, volgens wie mijn vader niet lang meer te leven had. Maar plotseling, van het ene op het andere moment, had hij zijn oude stem weer terug. Zijn stevige, barse stem. Iedere zin zit daarom voor altijd opgesloten, hier.’ Ehrlich tikte een paar keer met zijn wijsvinger tegen de zijkant van zijn hoofd, net boven de slaap.

‘“Ga naar Amsterdam, naar het huis waar je bent opgegroeid. Bel aan en vraag de mensen die er nu wonen of je binnen mag komen. Leg uit dat dit je geboortehuis is. Dat je het noodgedwongen hebt moeten verlaten. Samen met je ouders. Tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat je het graag nog eens van binnen wilt zien. Als het lot je goedgezind is, zijn het vriendelijke mensen. Die zullen je zeker binnenlaten. Als jullie wat nader kennis hebben gemaakt met elkaar, misschien na een rondleiding door het huis, vertel je hun de echte reden van je komst.”’

Battikwa nam een slok van haar koffie. Ze huiverde. Kwam het door de bitterheid? In Frankrijk hadden ze steeds café au lait gedronken.

‘Mij leek het al enerverend genoeg,’ zei Ehrlich. ‘Het weerzien met dit huis. Het huis waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Nóg een mission? Daar zag ik tegen op. Maar goed, het ging niet om mijn zielenheil. Mijn vader vroeg mij vervolgens of ik me de muurkast nog herinnerde. De muurkast in de woonkamer. Die aan de schuifdeuren grensde.’ Ehrlich wees naar de kast. ‘En óf ik mij die herinnerde. Het was de feestkast. Zo noemde ik hem vroeger tenminste. Alle mooie spullen voor de sjabbatavond en andere feestelijkheden lagen altijd daarin. Veel spullen waren van zilver. De kandelaar, de kiddoesjbekers, het bestek, de onderzetters voor de wijnglazen, de servetringen, de broodschaal voor sjabbat. Ik zie nog de afbeelding van twee challabroden erop voor me. Natuurlijk bevatte de kast ook minder kostbare zaken. Voor mij daarom nog niet minder waardevol: verjaardagsslingers, gebaksbordjes, verschillende soorten kaarsen, ook die voor de chanoekia van blik, die ik op de kleuterschool had gekregen. Hij was door de jaren heen steeds meer vervormd geraakt. Zat vol blutsen. Ik weet nog dat ik mezelf tijdens Chanoeka in het eerste oorlogsjaar een plechtige belofte deed. Ik nam me heilig voor mijn chanoekia altijd te blijven gebruiken. Hoe armzalig die ook was. Iedere Chanoeka zou ik hem tooien met de kaarsjes. Elke avond eentje meer, tot de rij van acht vol was. Het is er niet van gekomen. De eerstvolgende Chanoeka vierden we in een vreemd huis. In een vreemde stad. In een vreemd land. Ik heb mijn kandelaartje nooit teruggezien.’ Jitschok Ehrlich leek gedurende enkele minuten heel ver weg. Vervolgens schrok hij op, knipperde een paar keer met de ogen en ging verder met zijn verhaal.

‘“De bodem van de kast bestond uit een dubbele vloer,” zei mijn vader. De bovenste laag kon je er zo uit halen. Een stuk of zes losse planken. Daaronder bevond zich eenzelfde planken vloer, die vast lag. Behalve één stuk, dat de lengte had van de kastvloer. De breedte was zo’n veertig centimeter. Het was eigenlijk een luik, maar dat viel niet op. Zelfs als je het wist was het onzichtbaar. Dat kwam doordat het losse stuk op de naden was doorgezaagd. Mijn vader zei me dat ik moest vragen of ik even in die kast mocht kijken. Ik zou het schot moeten openen. Wat ik dan te zien kreeg was zand, Schevenings strandzand.’

‘Daarna zei hij nog: “Ik heb het voor je moeder gedaan. Het was haar wens.” Verder heeft hij me niets meer gezegd. Hij sloot zijn ogen. Ik weet nog dat ik dacht: hij wordt overvallen door een grote vermoeidheid. Door de inspanning van het vertellen. Misschien was dat het ook wel. In ieder geval heeft mijn vader zijn ogen nooit meer opengedaan.’ Ehrlich zweeg even.

‘Tja, en nou zit ik hier. Mijn vader zag het wel heel simpel. Dat realiseer ik me maar al te goed. Vragen of ik “even” in de kast mag kijken. Zo werkt het natuurlijk niet. Wie laat nu een… hoe noem je dat ook alweer, zo iemand als ik, a perfect stranger?’

‘Een wildvreemde,’ zei Guido.

‘Precies, een wildvreemde. Wie laat nou een wildvreemde “even” in zijn kast kijken?’

‘Meneer Ehrlich, de kast is er nog. Dat is op zich een groot wonder,’ zei Battikwa. Ze hoorde nog de woorden van de makelaar bij de bezichtiging van het huis: ‘Er zijn ook wel oorspronkelijke kasten in dit pand, hoor. Deze hier in de voorkamer, bijvoorbeeld. Een muurkast, duidelijk gelijktijdig met de bouw van het pand ontstaan.’

‘De ruimte onder de vloer is tot nu toe niet ontdekt,’ ging Battikwa verder. ‘Ook een groot wonder.’ Ze dacht eraan hoe ze bij haar zoektocht door het huis op de vloer van de muurkast had geklopt. Maar omdat er geen hol geluid klonk, had ze verder onderzoek onnodig gevonden.

‘We zijn het dus alleen al aan de kast verplicht om hem de mogelijkheid te bieden eindelijk zijn geheim prijs te geven, na al die jaren van bescherming. Daar is de kast. Hij staat tot uw beschikking.’

Battikwa deed het licht aan in de kast en haalde twee platte wijnrekjes en een telefoonboek weg die op de vloer lagen, zodat de man erbij kon. Toen deed ze een paar stappen achteruit. Ehrlich knielde neer. Hij tilde de losse planken op. Dat ging soepel. Maar de openingen in de naden van de ondervloer waren niet zichtbaar met het blote oog. Hij voelde en duwde, nergens was ook maar enige beweging in te krijgen.

Hij moet een mes hebben, dacht Battikwa. Ze liep naar de keuken, deed het licht boven het aanrecht aan en rommelde wat in een la. Even later overhandigde ze Ehrlich een klein vleesmes. Ze merkte dat haar hand trilde. Ondanks haar angst voor wat komen zou, bleef ze er met haar neus bovenop zitten.

Meteen bij de eerste naad die Ehrlich probeerde, gleed het lemmet in het hout weg, de diepte in. Hij duwde het heft met zijn hand een beetje naar rechts. Een deel van de bodem kwam omhoog. Hij tilde het eruit en hield het even vast, terwijl zijn ogen gedurende enkele minuten gericht bleven op wat hij ontsloten had.

Toen draaide hij zich om, legde het stuk hout neer en zei: ‘Een klein formaat zandbak. Daar lijkt het nog het meest op. Met echt strandzand, vol hele en halve schelpjes. De geur van Scheveningen is onmiskenbaar.’

Terwijl in Jitschok Ehrlichs ooghoeken twee heel kleine druppeltjes blonken, voelde Battikwa angst – een angst die steeds sterker werd.

‘Heeft u misschien een emmer en een schep?’ vroeg hij.

Ze ging op zoek. Ze kwam terug met een felrood kinderschepje en emmertje en de kleine David, die wakker was geworden. Jitschok Ehrlich begon voorzichtig zand uit de ruimte te scheppen. Battikwa bleef naast hem zitten, samen met David, die ze tegen zich aan gedrukt hield, en ze zag dat hij al snel ergens op stuitte. Hierna ging hij verder aan de zijkanten. Langzaam maakte zich iets los uit de zandmassa. Hij draaide zich om naar zijn vrouw, die knikte. Hij diepte iets op uit de kast. Hij zette het voorwerp in de kamer neer: een rieten mandje. Er zat een envelop op bevestigd. ‘Een brief,’ zei Ehrlich.

‘Voor u bestemd?’ zei Battikwa.

‘Lijkt me wel. Mijn naam staat erop. Ik herken bovendien het handschrift van mijn vader.’

Voordat Ehrlich de brief begon voor te lezen, wendde hij zich tot zijn vrouw en dochter. Battikwa hoorde hem zeggen dat hij later in het Engels verslag zou doen. Zo te zien vonden ze dat prima. Het kwam er dus op neer dat Guido en zij als eersten de inhoud van de brief zouden vernemen.

‘“Lieve zoon, als jij deze brief leest ben ik er niet meer. Hoe vaak zou in de geschiedenis van de mensheid deze zin zijn opgeschreven? Vaak, heel vaak.

Als alles is gelopen zoals ik wilde, lig ik nu in het familiegraf. Waar zich dat bevindt, in welk land, dat weet ik niet. Palestina, of dat andere Beloofde Land, het land van de Grote Beloftes, Amerika, wie zal het zeggen? Wat ik wel weet, is dat ons hele gezin in dit graf moet komen te liggen. Open nu het mandje en je zult begrijpen wat je te doen staat. Ik heb een bewijs van goedkeuring gezocht. De thora bevatte onverwacht een soort jurisprudentie, al geldt die voor Kena’an. Maar wie weet lig ik nu wel in Palestina. Je vader.”’

Buiten was het nu helemaal donker. Het gezelschap zat vrijwel in het duister, maar lichtte van voren enigszins op door de spaarzame stralen van de kastlamp. Davids grote, zwarte ogen vingen zodanig het licht op dat zijn doorgaans zo strakke gelaatsuitdrukking nu vooral heel melancholisch leek.

‘Laat ik het mandje dan maar openmaken,’ zei Ehrlich zacht. Hij hoefde alleen een soort houten pen uit twee rieten lussen te trekken, daarna kon hij het deksel omhoog doen.

In het mandje lag, in satijnachtige stof ingebed, een pop – maar zo’n lelijk exemplaar als deze had Battikwa nog nooit gezien. Het ding bestond alleen uit een romp met een kop, en het gezichtje was niet van plastic, maar leek van papier-maché gemaakt. De romp was met een grove, grauwwitte stof omwikkeld. Battikwa kwam iets omhoog en boog zich samen met David, die ze tegen haar borst aangedrukt hield, over het mandje om de pop nader te bestuderen. Nu ze het beter kon zien, besefte ze dat de pop net zo goed wél meer ledematen kon hebben, maar dat die aan het oog werden onttrokken door de windsels. Tussen de kop en de romp zag ze iets glinsteren. Ze boog nog iets verder naar voren en deinsde meteen geschrokken terug. Was het eigenlijk wel een pop?

Ehrlich tilde het hoofdje iets omhoog, nam het glinsterende voorwerp tussen zijn vingers en trok het over het hoofdje. Het was een kettinkje, zag Battikwa nu, een gouden kettinkje met daaraan een rond naamplaatje. Ze ging weer zitten. Ehrlich legde het kettinkje voorzichtig in zijn hand, draaide het naamplaatje om en verstarde. Snel gaf hij het sieraad aan Battikwa. Ze sloeg het kettinkje om haar middelvinger en wilde net lezen wat er op het naamplaatje stond gegraveerd, toen het handje van David het kettinkje weg graaide. Hij draaide zich half om naar Battikwa en hield het sieraad voor haar gezicht, alsof hij het haar hoogstpersoonlijk wilde laten zien. Battikwa’s gevoel sloeg in luttele seconden om van speels geërgerd tot diep geschokt: Davids hele kindersnoetje, dat ze tot nu toe niet anders dan licht apathisch had gekend, straalde van oor tot oor. Ruw greep ze het kettinkje uit zijn hand en las:

Jossie Ehrlich    

   30 juni 1941 

5 Tammoez 5701

en op de andere kant:

‘Zijn nagedachtenis zij tot zegen.’

Battikwa hoorde David kraaien van plezier.

 

 

Advertenties

3 gedachtes over “Salieristraat No. 100

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s