Vlooienplaag

Zwarte katZwarte katToen ik op mijn negentiende het huis uitging om met Hinde een beneden woning in een kraakpand te betrekken, liet ik Baaffie bij mijn ouders achter. Het zou zielig zijn haar uit haar vertrouwde omgeving los te rukken, zo stelde ik. Bovendien had Hinde twee katten, dus ruzie verzekerd en zonder Cypri was er dus genoeg te knuffelen.
Ons samenwonen werd niet zo’n succes. Zo goed als we zoveel jaren van kleins af aan met elkaar waren omgegaan, zo beroerd ging het nu. Ik voelde me bovendien ook een buitenstaander bij de rest van de krakers in de twee naast elkaar gelegen panden. Ze vonden mij, geloof ik, een kakmadame. Dat was ik niet, maar het klopte wel dat ik me nogal afsloot van de rest van de bewoners. Bij het woord ‘huisetentjes’ werd ik al een beetje naar. Ik hield niet van dat soort semi-commune achtige gedoe.
Maar het was wel in dít huis, waar ik Adri leerde kennen en die kennismaking had mijn verdere leven bepaald: mooi en tragisch tegelijk.
Toen Hinde op het laatste moment liet weten mij er bij nader inzien niet bij wilde hebben op het geplande een tripje – ook met Frans, de broer van Adri met wie ze inmiddels een relatie had – naar Parijs, was voor mij de maat vol. Dit was het einde van ons samenwonen. Ik besloot iets voor mezelf te zoeken.
Wat ik toen niet wist: Dat Hinde haar soms brute manier van mij afwijzen, lag aan haar slechte psychische gesteldheid waarin ze verkeerde. Wat ik toen ook niet wist: Dat ik er zelf ook behoorlijk beroerd aan toe was. Ik was toch het stralende meisje waar andere mensen zo blij van werden?
Hoe dan ook, op de Da Costakade in Amsterdam Oud-West vond ik een kamer, te huur gezet door een oude man van tachtig jaar, die alleen de etage bewoonde, samen met zijn kat, een volledig zwarte kat, niet de kleur die ik een kat als meest knuffelbaar beschouw. Dat laatste alleen al kon op mijn sympathie rekenen. De voorkamer was van de oude man, de achterkamer kreeg ik. De badkamer deelden we, wat ik meteen een onaantrekkelijk idee vond. Maar ik was zo blij iets voor mezelf te hebben gevonden dat ik toezegde en vol energie mijn kamer ging verven, alles wit, inclusief de houten vloer. Dat was me een rot werk! Elke spleet tussen de houten planken moest met verf gevuld worden, maar er was geen ruimte was identiek. De ene had een bodemloze put, het hout van de ander was gespleten tot zulke dunne reepjes hout dat de verf er geen vat op had.
De vloer was nog maar net droog en Elsemijn bleef als gevolg van het bukken tijdelijk gebukt lopen, toen ze een donker plekje in de verf zag. Ze wreef er met haar middelvinger overheen en maakte daarmee het plekje alleen maar groter. Ze realiseerde zich dat het de witte verf was die losliet. Ze kon zo een heel stuk, als was het een vel op een beker warme melk, van de vloer trekken. In alle staten terug bij de verfverkoper zei deze:
‘Dan moet hij in de was zijn gezet.’
Omdat ik niet meteen reageerde herhaalde hij zijn conclusie. Het zou slim van me geweest zijn die vloer voor de zekerheid helemaal te hebben ontvet. Die boodschap had de verfverkoper mij moeten meegeven voordat ik aan die klus begon.
Toen ik eindelijk mijn eerste nacht op mijn nieuwe kamer wilde doorbrengen, bleek er een vlooienplaag te zijn uitgebroken van mythische proporties. Zodra ik ook maar één stap in het huis zette, werd ik door vlooien besprongen en waren mijn onderbenen in no time helemaal zwart en rood – na het opzuigen van mijn bloed – van de vlooien. De oude man bleek niet in staat zijn kat, die onder de vlooien zat, te verzorgen. Ik ontvluchtte het huis.
Een bijna surrealistische wending van het verhaal: ik, als poezengek, werd vanwege een vlooienplaag gedwongen door een kat haar kamer te verlaten.
Jaren later, mijn ouders waren op vakantie, mocht Adri gedurende die periode in hun huis werken. Bij ons, op de Van Ostadestraat was teveel burenherrie. Op de derde dag hij aan de eettafel zat te schrijven, viel het hem op dat het witte tafellaken, dat er ter bescherming overheen lag, bezaaid was met zwarte puntjes en er daartussen de vlooien, al dan niet gevuld met bloed, rondsprongen.
Adri vluchtte weg, maar liep nog weken met door vlooienbeten aangetaste onderbenen. Hij had niet eens de gelegenheid gehad mijn kamer te zien.
Ik ging weer tijdelijk bij mijn ouders wonen, totdat ik iets nieuws gevonden zou hebben. Dat was nog niet zo makkelijk, maar het opnieuw in één huis wonen met mijn ouders was duizend maal erger, vond ik totaal onleefbaar. Zelfs de aanwezigheid van Baaffie gaf geen verlichting. De spanning die er tussen hen onderling bestond, maar vooral ook de nervositeit en ongeremde gedrag van mijn moeder vormde een onhanteerbare psychische belasting voor mezelf.
De enige oplossing die ik kon bedenken was bij Adri intrekken. Hij was niet meteen enthousiast en liet zich in latere jaren nog wel eens ontvallen dat hij dat helemaal niet zo snel had gewild. Voor mij zou het waarschijnlijk ook beter geweest zijn als ik wat langer alleen had gewoond. Ik was eigenlijk min of meer vanuit het ouderlijk huis in het huis van Adri gerold. Ik had nooit echt geleerd om alleen in de wereld te functioneren.

Advertenties

3 gedachtes over “Vlooienplaag

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s