Lugano

Lugano.-Uitzicht-over-meer
Foto van Tonio

In de zomervakantie, 2000, twintig jaar geleden, ging ik met Tonio en mijn vader voor twee weken naar Lugano, het paradijs uit mijn jeugd, dat opnieuw een paradijs werd, ook voor Tonio. Omdat het ons beiden zo goed beviel, brachten we samen met Adri nog twee vakanties door in Lugano, in 2003 en 2006. In 2009 huurden Adri en ik een huis in Lugano voor drie maanden, om daar aan onze boeken te werken. Dat werd een grote mislukking, we waren binnen vier dagen weer terug in Amsterdam, maar die ervaring droeg zo’n goed verhaal in zich, dat ik het gebruikte voor mijn tweede roman, Verloren mensen (2013), waar ik toen aan bezig was, maar waarvan ik het leeuwendeel zou schrijven na de dood van Tonio.

Ik heb sinds ons laatste korte bezoek aan Lugano een verschrikkelijke heimwee naar dat paradijs. Maar er naartoe gaan, durfde ik de eerste jaren na de dood van Tonio niet. De stad was zo verbonden met mijn gelukkige tijd daar met mijn zoon, dat ik bang was het emotioneel niet aan te kunnen. Om mijn honger naar Lugano enigszins te stillen, kijk ik iedere dag even naar de webcams, gericht op verschilende plekken in Lugano, waaronder het meer met zijn boulevard en het Piazza della Riforma.

De laatste jaren krijg ik steeds meer de behoefte om naar Lugano af te reizen en heb ook minder angst voor dat mij daar iets zou overkomen. Eigenlijk had ik deze zomer bestemd voor een verblijf in Lugano. En als Adri niet mee wilde – wat ik heel goed zou begrijpen, hij komt al jaren het huis niet uit – dan zou ik Hinde vragen mij te vergezellen. Het enig waar ik mee zat waren IJsbrandt en Tasha. Het leek me niet slim om de verzorging aan Adri over te laten. Ik moest denken aan de keer dat Tonio en ik in de Kerstvakantie samen op Lanzarote op vakantie waren, in oudejaarsnacht Cypri verdween en Adri mij daar ’s ochtends vroeg over wakker belde. Cypri bleek zich in de kelder verstopt te hebben.

Ik ging er vanuit dat zich wel een oplossing zou aandienen inzake de katten, maar waar ik natuurlijk niet op had gerekend, was deze corona crisis. Laat nou juist Lugano de stad zijn met de eerste corona besmette patient in Zwitserland. Ticino is kwetsbaar, omdat het dichtbij de corona haard in Italie ligt en er dagelijks veel Italianen komen werken in dat canton. Er werd al snel een totale lock-down ingesteld in Zwitserland. Als ik nu naar de webcams ga, zie ik een totaal verlaten stad. Op het Piazza della Riforma zijn alle café’s en restaurants gesloten, je ziet er eens in het half uur iemand lopen, op de boulevard is een enkele jogger te bespeuren, en het hele meer is leeg, geen zeilboten, boten van het openbaar vervoer, zelfs de zwanen die daar al minstens vijfenvijftig jaar zwemmen – vanaf dat jaar kwamen we in Lugano – zijn verdwenen. Kunnen zwanen mensen besmetten? Wat hebben ze gedaan met die beesten?

Behalve dat je, nog meer dan hier, geen kant uit kunt in Lugano – je kunt voorlopig tot oktober geen hotel boeken – is het zelfs niet mogelijk om er te komen. Ook Zwitserland heeft zijn grenzen gesloten.

Ik zal met mijn ziel onder de arm nog steeds genoegen moeten nemen met de webcams die een verlaten Lugano laten zien.

 

 

23 mei 2010-23 mei 2020: Tonio 10 jaar niet meer bij ons.

Adri en ik gingen eergisteren, op Hemelvaartsdag, 21 mei, naar het graf van Tonio, omdat het zaterdag, op zijn sterfdag, geen mooi weer zou zijn.. We namen een fles Stolichnaya wodka mee met twee glaasjes, zodat we in de geest van Tonio konden toosten op het leven, want ja, hij heeft toch maar mooi bijna tweeëntwintig jaar deel uitgemaakt van het en ons leven. De rest van de fles zouden we op het graf  van Tonio achterlaten voor andere dorstige bezoekers.

Adri en ik liepen over de begraafplaats naar het graf van Tonio en zagen een groepje jongens zitten. Dat bleken Tonio’s vrienden, waaronder Joeri, die zo lief was geweest om na Tonio’s dood zijn foto’s voor mij op een externe harde schijf te zetten. Daarmee zou hij vanaf dat moment voor altijd een warm plekje in mijn hart innemen.

Het werd zo’n mooie bijeenkomst. De vier vrienden van Tonio zaten aan het bier, maar ze hadden ook wodka meegenomen en vier glazen. Zo zaten we al snel alle zes rondom Tonio’s graf aan de wodka. Het was voor het eerst na Tonio’s dood dat ik het niet alleen aankon om hun te zien, maar daar ook heel erg blij mee was. Het deed me zo goed. Echt een cadeautje. En ik voelde dat zij ook verheugd waren om ons te treffen.

Wat ik ook zo bijzonder vind en blij om ben: deze vier jongens vormen nog steeds een hechte vriendenclub. Terwijl er zoveel kan veranderen tussen je 22ste en 32ste.

Voor het eerst in tien jaar heb ik iets meegemaakt wat me werkelijk goed doet.

Ik kan jullie daar niet genoeg voor bedanken, jongens.

Beth Shalom

Deze foto die Tonio van zijn opa heeft gemaakt, stamt nog uit de tijd dat mijn vader nog niet in Beth Shalom woonde, maar door de week wel daar ging eten. Dat was niet in de eetzaal van het verzorgingshuis, maar in een apart ‘restaurant’ Nesjomme. Ik bracht en haalde hem met de auto. Ik ben blij dat hij niet deze Corona crisis in Beth Shalom heeft hoeven meemaken. Het idee dat hij met zo’n tube in de keel en liggend op zijn buik – hoe mensonterend – wekenlang in kunstmatige coma zou moeten liggen, doet me huiveren.

Paniekstoornis

Waar het mij in de bijna tien jaar van Tonio’s verscheiden gelukt was om aan te ontsnappen, had ik, werkend aan het boek over mijn vader, blijkbaar niet in de hand: het ontwikkelen van een paniekstoornis of depressie, twee ziektes die vaak samen gaan. Een paniekstoornis heb ik nooit gehad, maar een depressie wel en ik was erg bang daar na Tonio’s dood in terecht te komen, wetende wat zo’n mentale inzinking behelst.

Wanneer je naar een synoniem zoekt voor depressie, kom je al snel terecht bij het woord neerslachtigheid. Een ongelukkiger keuze dan dit equivalent is niet denkbaar voor zo’n dramatisch ingrijpende psychische en fysieke – want met een belangrijk chemische component – ziekte. Een ziekte die in het hoofd een verwoestende uitwerking heeft, soms zodanig, dat suicide uiteindelijk de enige uitweg is voor degene die aan en onder de depressie lijdt. Niet omdat die persoon dood wil, maar omdat hij rust wil. Als er voor deze sterveling geen medicijn of therapie blijkt te bestaan, is de dood zijn enige uitweg.

In mijn geval – ik kan niet voor anderen spreken – zijn er duidelijke tekenen die aan een paniekstoornis of depressie vooraf gaan. Het overkwam mij eind vorige week. Ik stond ’s avonds in de keuken en keek op zeker moment naar buiten en wie zag ik daar op de schutting staan? IJsbrandt. Ik schrok zo erg, dat ik het kopje, bezig schoon te maken, uit mijn handen liet vallen. Ik dacht dat ik de schutting ooit zodanig hoog had laten maken, dat de katten er met geen mogelijkheid op konden springen. Dit ging ook jarenlang goed. Tot op dat moment, dus. IJsbrandt op de schutting betekende dat hij door alle binnentuinen kon rondzwerven en dat wilde ik koste wat kost voorkomen. Ik haalde hem snel van de omheining af, zette wat grote, lege bloempotten op de bloembakken die er al stonden en meende zeker te weten dat dit voldoende bescherming bood.

De volgende morgen ging de huisbel. In de intercom klonk de stem van de buurman : ‘Volgens mij staat een van jouw katten bij ons in de tuin.’ Ik racete naar beneden, botste bijna op IJsbrandt en deed de voordeur open. De buurman liet op zijn telefooneen foto van IJsbrandt zien, die verbaasd door het raam van de buren naar binnen keek.

Het eerste wat ik deed was het kattenluikje dicht doen en een kattenbak binnen neerzetten. Mijn tweede ingeving: de klusjesman bellen om de schutting te laten verhogen. Direct daarop dacht ik: als ik de werksters tijdens deze corona crisis niet toelaat in mijn huis, dan geldt dat ook voor de klusjesman. De buurman bood mij aan om samen naar een oplossing te zoeken voor de de schutting. Ik maakte een afspraak met hem voor de volgende dag.

Toen het moment bijna daar was, kreeg ik hartkloppingen, ik begon te hyperventileren en kon alleen maar heel hard huilen. Ik zegde de afspraak met de buurman af; liet hem weten dat ik het niet aankon. De drie daaropvolgende dagen kwamen die aanvallen nog een paar keer voor, steeds wanneer ik iets moest. Ik dacht daarom aan een burn-out, niet veroorzaakt door hard werken, maar door tien jaar lang een gevecht te hebben gevoerd om me staande te houden na de dood van Tonio.

Toen, ineens, hoorde ik een hele duidelijke klik in mijn hoofd en werd ik me bewust van de inhoud onder mijn schedeldak. Ik voelde dat er daarbinnen verschuivingen optraden. Hierdoor bezag ik niet meer met een heldere blik de wereld om me heen. Ik zat opgesloten in mijn hoofd, ik was één met mijn hoofd. De normale wereld was voor mij onbereikbaar aan het worden. Op dat moment drong tot me door bezig te zijn een paniekstoornis te ontwikkelen.

Ik realiseerde me dat in dit geval niet Tonio de katalysator was voor dat angstaanjagende gestoei in mijn hoofd, maar dat het project over het leven van mijn vader de schuldige was. Niet omdat het schrijven aan het boek niet goed ging. Integendeel. Ik was begonnen met nauwelijks kennis over zijn leven en nu deed ik zoveel belangrijke vondsten. Dat was mooi, en ik was ook zeer dankbaar dat internet het mij mogelijk maakte er een rijk project van te maken, maar al die details waren ook heel confronterend, de uitwerking ervan drong door tot diep in mijn hart. En wat miste ik die man! Ik besloot het werk aan mijn boek even opzij te leggen. Dat vond ik wel erg jammer omdat het juist zo goed ging. Maar een paniekstoornis kon ik er echt niet bij hebben. Ik vond het leven zonder dat al ingewikkeld genoeg.

Of de heersende corona crisis ten dele ook verantwoordelijk was voor die dreigende paniekstoornis weet ik niet. Dat maakt ook niet zoveel uit.  

Uittreksel Bevolkingsregister

Gisteren boog ik me over uittreksels uit het bevolkingsregister van drie van mijn vaders zussen en van zijn ouders. Het zal nogal omslachtig klinken voor de meesten onder u, maar de woorden opa en oma krijg ik niet uit mijn strot. Opa en oma zijn benamingen die kleinkinderen gebruiken voor het aanspreken van de ouders van hun moeder en vader. Ik heb nooit de woorden opa en oma gebruikt, omdat ik ze niet in levende lijve heb meegemaakt. De woorden opa en oma staan voor mij dan ook niet voor gezelligheid, veiligheid, een dikke knuffel, en lekkers. Daarbij zijn de ouders van mijn vader (en zijn zussen) niet op natuurlijke wijze overleden, maar vermoord: vergast en verbrand door de nazi’s.

Misschien kunt u enigszins navoelen hoe zwaar het me zou vallen mijn mond zodang te vormen, mijn tong daarin zijn werk te laten doen en tezamen met de lucht uit mijn longen, die twee woorden uit te spreken. En hoe vreemd het mij te moede zou zijn om die woorden opa en oma uit mijn eigen mond te horen komen.

Wel genoot ik altijd van de klanken wanneer Tonio de woorden opa en oma uitsprak, als kind met een hoog ijl stemmetje, tot aan de volwassen kleinzoon die zich met een diepe stem tot hen richtte. Nu is er nooit meer iemand die opa en oma zegt, ook niet bij het ophalen van een herinnering. De enige die daarvoor in aanmerking had kunnen komen, is Tonio, was Tonio.

 

Uitgeput

Het gaat per keer moeilijker, de buitenwereld instappen. Na mijn ‘optreden’ bij Vijf uur Live afgelopen donderdag, kwam ik gesloopt thuis. Waarom? Niet omdat ik had opgezien tegen het gesprek, dat ik daar zenuwachtig voor was. Ik ben altijd een vat vol faalangst geweest, maar richt een paar tv camera’s op me in een live programma, en ik word de rust zelve. Waarschijnlijk omdat ik gewoon onverschillig sta tegenover het medium televisie.

Wat me deze keer de das om deed, werd veroorzaakt door twee aspecten die een slechte chemie met elkaar aangingen. Momenteel lijd ik extra onder Tonio die er niet meer is. Waarom nu? Ik weet het niet. Ik kan allerlei argumenten aanvoeren, maar die zijn net zo goed te gebruiken voor als ik ‘gewoon’ lijd. Met deze gekwelde geest zette ik me, samen met de actrice die ‘mij’ speelt in het toneelstuk, Jacqueline Blom, aan tafel bij Daphne Bunskoek en Caroline Tensen. Er werden een aantal vragen gesteld, waaronder de vraag hoe wij ons voorbereiden op de tiende sterfdag van Tonio, of dat extra zwaar was, waarop ik zoiets kort samengevat zei als: ‘Het leven is voor mij lijden, iedere dag, nee iedere dag en nacht, want ik droom nu al bijna tien jaar lang iedere nacht dezelfde droom, dat ik op zoek ben naar een huis, een gewoon huis, of een vakantie huis voor ons drieën en ja, dat is meer een nachtmerrie.’ Door dat te zeggen, realiseerde ik me hoe waar dat was, hoe zwaar en hoe die last bij het verstrijken van de jaren alleen maar zwaarder zou worden. De volgende morgen stond ik op met iets dat hetzelfde voelde als  vroeger, als ik te veel wodka gedronken had, gecombineerd met aan een stuk door roken: een gigantische kater. Het was ondoenlijk voor me naar mijn bureau te slepen en daar achter te gaan zitten om te schrijven. Wat me nooit overkwam: ik kon de film waar we ’s avonds naar keken niet volgen, ben halverwege naar bed gegaan en heb het klokje rond geslapen. Pas nu, twee dagen later, voel ik me weer goed, vol energie.

De vraag die mij gesteld werd over één speciale datum in het leven van Tonio, zette de sluis open voor het vrijelijk laten stromen van mijn lijden aan het leven, een sluis die nooit meer dicht gaat.

Carnaval in Aalst

De carnavalsoptocht van Aalst werd vorig jaar geschrapt als immaterieel erfgoed van de Unesco vanwege de praalwagens met antisemitische stereotypes. In december zou gestemd worden of Aalst op de werelderfgoedlijst mocht blijven, maar het stadsbestuur besloot de eer aan zichzelf te houden en deed zelf afstand van zijn plek op de lijst. Liever dan dat ging men door met de misselijkmakende lol.Op een van de eerste praalwagens in de stoet stonden mannen met haakneuzen en pijpekrullen (en met opmerkelijk lange tenen) Langs de kant van de weg stonden ondertussen mensen die zich hadden uitgedost met plastic haakneuzen en pruiken met pijpekrullen, en waren er buttons waarop het logo van Aalst was verwerkt tot een davidster.

Nu ik me zo diep in jouw leven heb ingegraven, papa, volgezogen van vernietiging, staat dit ‘vermaak’ zo ver van me af dat ik me tot het uiterste moet dwingen om de afschuwelijke betekenis ervan tot me door te laten dringen.