Uittreksel Bevolkingsregister

Gisteren boog ik me over uittreksels uit het bevolkingsregister van drie van mijn vaders zussen en van zijn ouders. Het zal nogal omslachtig klinken voor de meesten onder u, maar de woorden opa en oma krijg ik niet uit mijn strot. Opa en oma zijn benamingen die kleinkinderen gebruiken voor het aanspreken van de ouders van hun moeder en vader. Ik heb nooit de woorden opa en oma gebruikt, omdat ik ze niet in levende lijve heb meegemaakt. De woorden opa en oma staan voor mij dan ook niet voor gezelligheid, veiligheid, een dikke knuffel, en lekkers. Daarbij zijn de ouders van mijn vader (en zijn zussen) niet op natuurlijke wijze overleden, maar vermoord: vergast en verbrand door de nazi’s.

Misschien kunt u enigszins navoelen hoe zwaar het me zou vallen mijn mond zodang te vormen, mijn tong daarin zijn werk te laten doen en tezamen met de lucht uit mijn longen, die twee woorden uit te spreken. En hoe vreemd het mij te moede zou zijn om die woorden opa en oma uit mijn eigen mond te horen komen.

Wel genoot ik altijd van de klanken wanneer Tonio de woorden opa en oma uitsprak, als kind met een hoog ijl stemmetje, tot aan de volwassen kleinzoon die zich met een diepe stem tot hen richtte. Nu is er nooit meer iemand die opa en oma zegt, ook niet bij het ophalen van een herinnering. De enige die daarvoor in aanmerking had kunnen komen, is Tonio, was Tonio.

 

Uitgeput

Het gaat per keer moeilijker, de buitenwereld instappen. Na mijn ‘optreden’ bij Vijf uur Live afgelopen donderdag, kwam ik gesloopt thuis. Waarom? Niet omdat ik had opgezien tegen het gesprek, dat ik daar zenuwachtig voor was. Ik ben altijd een vat vol faalangst geweest, maar richt een paar tv camera’s op me in een live programma, en ik word de rust zelve. Waarschijnlijk omdat ik gewoon onverschillig sta tegenover het medium televisie.

Wat me deze keer de das om deed, werd veroorzaakt door twee aspecten die een slechte chemie met elkaar aangingen. Momenteel lijd ik extra onder Tonio die er niet meer is. Waarom nu? Ik weet het niet. Ik kan allerlei argumenten aanvoeren, maar die zijn net zo goed te gebruiken voor als ik ‘gewoon’ lijd. Met deze gekwelde geest zette ik me, samen met de actrice die ‘mij’ speelt in het toneelstuk, Jacqueline Blom, aan tafel bij Daphne Bunskoek en Caroline Tensen. Er werden een aantal vragen gesteld, waaronder de vraag hoe wij ons voorbereiden op de tiende sterfdag van Tonio, of dat extra zwaar was, waarop ik zoiets kort samengevat zei als: ‘Het leven is voor mij lijden, iedere dag, nee iedere dag en nacht, want ik droom nu al bijna tien jaar lang iedere nacht dezelfde droom, dat ik op zoek ben naar een huis, een gewoon huis, of een vakantie huis voor ons drieën en ja, dat is meer een nachtmerrie.’ Door dat te zeggen, realiseerde ik me hoe waar dat was, hoe zwaar en hoe die last bij het verstrijken van de jaren alleen maar zwaarder zou worden. De volgende morgen stond ik op met iets dat hetzelfde voelde als  vroeger, als ik te veel wodka gedronken had, gecombineerd met aan een stuk door roken: een gigantische kater. Het was ondoenlijk voor me naar mijn bureau te slepen en daar achter te gaan zitten om te schrijven. Wat me nooit overkwam: ik kon de film waar we ’s avonds naar keken niet volgen, ben halverwege naar bed gegaan en heb het klokje rond geslapen. Pas nu, twee dagen later, voel ik me weer goed, vol energie.

De vraag die mij gesteld werd over één speciale datum in het leven van Tonio, zette de sluis open voor het vrijelijk laten stromen van mijn lijden aan het leven, een sluis die nooit meer dicht gaat.

Carnaval in Aalst

De carnavalsoptocht van Aalst werd vorig jaar geschrapt als immaterieel erfgoed van de Unesco vanwege de praalwagens met antisemitische stereotypes. In december zou gestemd worden of Aalst op de werelderfgoedlijst mocht blijven, maar het stadsbestuur besloot de eer aan zichzelf te houden en deed zelf afstand van zijn plek op de lijst. Liever dan dat ging men door met de misselijkmakende lol.Op een van de eerste praalwagens in de stoet stonden mannen met haakneuzen en pijpekrullen (en met opmerkelijk lange tenen) Langs de kant van de weg stonden ondertussen mensen die zich hadden uitgedost met plastic haakneuzen en pruiken met pijpekrullen, en waren er buttons waarop het logo van Aalst was verwerkt tot een davidster.

Nu ik me zo diep in jouw leven heb ingegraven, papa, volgezogen van vernietiging, staat dit ‘vermaak’ zo ver van me af dat ik me tot het uiterste moet dwingen om de afschuwelijke betekenis ervan tot me door te laten dringen.

Heimwee

Iedereen is het er over eens dat er een groot verschil is tussen het verliezen van een ouder en het verliezen van een kind. Vier jaar na het overlijden van Tonio stierf mijn vader. De eerste anderhalf jaar deed mij zijn afwezigheid helemaal niets. Daarvoor was Tonio’s gemis te groot. En toen opeens was het verdriet en het gemis er wel. Nu, nog eens bijna zes jaar later, kan ik zeggen dat het gemis naar mijn vader de vorm heeft aangenomen van heimwee, of, beter gezegd, heimwee naar het samen zijn met hem. Het gaat mij dan niet om de vader van toen ik de volwassen leeftijd had bereikt, maar de vader van toen ik kind was.

Mijn heimwee is gerelateerd aan twee onbereikbare omstandigheden. Voor de fase in mijn leven waar ik het over heb, moet ik terug in de tijd, zou ik weer kind moeten zijn. Omdat de heimwee gekoppeld is aan mijn vader, zou hij eerst weer tot leven gewekt moeten worden om vervolgens terug te gaan in de tijd, tot hij de leeftijd bereikt zou hebben van toen ik nog kind was.

Ik moet even stilstaan bij het woord heimwee. Ik realiseer me dat heimwee hebben heel anders van toepassing is als het om mijn vader gaat, dan in het geval van Tonio. Ik kan zeggen dat ik heimwee heb naar de situatie waarin mijn vader en ik samen in het meer van Lugano zwemmen. Het woord heimwee heeft dan iets zachtaardigs in zich. Betrek ik heimwee op het leven met Tonio, bijvoorbeeld een bezoek aan Artis, dan drukt het een verscheurd gevoel uit.

Als kind had ik heel erg last van heimwee en later ontdekte ik dat ik ook als volwassen vrouw snel aan heimwee leed, bijvoorbeeld wanneer we met z’n drieën opvakantie waren. Maar de heimwee als kind veroorzaakte een vergelijkbaar snijdende pijn als de heimwee naar Tonio en de heimwee op oudere leeftijd leek meer op het melancholieke van heimwee naar mijn vader. 

Eliahoe, de informatieve stoorzender

Ik had net mijn laatste woord, gericht tot jou, papa, opgeschreven, toen ik voetstappen achter me hoorde. Ik draaide me om naar de deur van mijn werkkamer die half open stond, speciaal voor de katten, die daardoor vrijelijk in- en uit konden lopen, maar ik zag niemand.
Ineens was daar een stem:
‘U bent toch Mirjam Rotenstreich?’
Ik schrok dusdanig, dat ik, zoals altijd bij mij in situaties dat ik me bedreigd voel, mijn boven- en ondergebit op elkaar klapte, dit keer zo hard, dat een pijngolf mijn kin en aangezicht doortrok.
‘De jongste dochter van Natan Rotenstreich?’
Voorzichtig en enigszins angstig keek ik om me heen, onderwijl mijn gezicht aan beide kanten bij de scharnierpunten van mijn gebit masserend, maar nog steeds was ik de enige aanwezige in de kamer.
‘U kunt mij inderdaad niet zien, maar ik u wel.’
In plaats van de stem van een voor mij onzichtbaar wezen nog als griezelig te ervaren, raakte ik geïrriteerd.
‘Wie bent u,’ vroeg ik kortaf.
‘De profeet Eliahoe.’
‘En ik ben Mirjam, de zus van Mozes.’
‘Ik, Eliahoe, ben het echt.’
‘Sorry, ik ben niet in de stemming voor dit soort grapjes.’
‘Het is vanwege een serieuze zaak die u aangaat dat ik u bezoek.’
Plotseling herinnerde ik me dat zinnetjes, vergelijkbaar als ‘Ineens was daar een stem’ vaak voorkwamen wanneer er werd voorgelezen uit de Tora, vroeger, tijdens de joodse les op Rosj Pina, mijn lagere school. Toen zag ik daar niks vreemds in. Maar nooit had ik meegemaakt dat zo’n stem ook in werkelijkheid zijn stem liet horen.
‘Al bij de Brit Mila van uw vader stond er voor mij een stoel klaar,’ zei de stem.
‘Dat herinnert u zich nog?’
Hoorde ik het goed? Was ik het, Mirjam Rotenstreich, die nergens in geloofde, die alle geloven verafschuwde, maar dan nu wel serieus inging op een verklaring van een stem, behorend bij iemand die zich een profeet noemt, maar waarvan ‘vanzelfsprekend’ een fysieke aanwezigheid ontbrak.
‘Herinneren is niet het goede woord, maar aangezien uw vader ter wereld kwam in een orthodox joods gezin, kan het niet anders dan dat ze rekening hielden met mijn aanwezigheid.’
‘Dat moet ik dan maar aannemen, of te wel geloven?’ Iets in mij dwong me het gesprek met deze stem die verkondigde bij de profeet Eliahoe te behoren, voort te zetten.
‘Er kon in uw vader, net als in alle andere acht dagen oude jongetjes, een verlosser schuilen. Ik moest dus paraat staan.’
‘En, zeg me Eliahoe, hoe verliep mijn vaders ‘sollicitatiegesprek?’
’Zeker is dat er in hem geen Messias schuil ging.’
‘Dat moet voor u een hele teleurstelling zijn geweest om voor de zoveelste keer voor niets acte de présence te moeten hebben geven.’
‘Het was in elk geval niet de reden om later geen gebruik te maken van de gastvrijheid, elke Seideravond, bij jullie thuis.’
Daar raakte Eliahoe een gevoelige snaar. Aan de Seideravonden bewaarde ik één van mijn fijnste jeugdherinneringen en speciaal één daarvan kwam terug in mijn herinnering. Ik was een jaar of zeven, ik stond in de huiskamer voor de deur naar de gang en moest, zoals elk jaar, de deur opendoen voor de profeet Eliahoe. Op de schoorsteen stond, ook zoals dat hoorde, een glas zoete rode wijn op hem te wachten. Ik duwde de klink naar beneden, opende langzaam de deur en keek de gang in. Zoals verwacht: niemand. Toen dacht ik: als ik de wijn zelf opdrink, misschien dat de Messias denkt dat ík Eliahoe ben en hij me dan vanzelf achteraan komt. Ik dronk het hele glas in één keer leeg, met als resultaat dat mijn vader me dronken naar bed moest dragen. Daardoor kon ik niet meer zoeken naar de Afikoman, het stuk matze, dat onze ouders altijd voor Hinde en mij verstopte en waarmee we na de vondst ervan recht hadden op een cadeautje. Gelukkig kreeg ik de volgende dag alsnog mijn presentje.
‘Mirjam Rotenstreich?’ riep Eliahoe.
Ik ontwaakte uit mijn gedachten en vroeg, direct weer scherp: ‘Wat is dan wel de reden waarom u op geen van die Seideravonden bent komen opdagen?’
‘Daar was geen noodzaak toe.’
‘O, nee? Ik zou bijna gaan lachen als achter uw antwoord niet zo’n vreselijke onkunde stak, of eigenlijk domheid, iemand met uw taak onwaardig. Wat dacht u ervan dat met de Messias in uw kielzog mijn vader zijn familie had teruggekregen, mijn moeder haar eigen moeder, haar zus Mathilde en haar oudste zus Emma met man en dochtertje.’
‘Ik begrijp uw boosheid en het spijt mij zeer, maar ik kan alleen tot actie overgaan als de Messias mij daartoe opdracht geeft.’
‘Komt u mij vertellen dat die ‘verlosser’, wie dat ook mag zijn, alsnog zo direct komt opdagen, los van de Seideravond, en iedereen zal terug ‘toveren’, nu inclusief mijn vader, overleden in 2014 en mijn moeder, overleden in 2015 En laten we Tonio niet vergeten, overleden in 2010.
Diepe zucht van Eliahoe. ‘Was dat maar waar.’
‘Dat is nou precies waarom ik zo’n hekel heb aan het geloof: misbruik maken van de wanhoop van kwetsbare mensen. Geen enkel regime zo dictatoriaal en wreed voor de mensheid als het geloof, elk geloof. Toon uw gezicht en u kunt er een stomp van mijn vuist op verwachten.’
Toen zei Eliahoe heel zacht: ‘Ik heb zelf ook meer dan genoeg van die jaarlijks terugkerende stoelendans rond de Messias. Al die mensen die ik keer op keer moet teleurstellen. U weet niet hoeveel drek ik over me heen krijg, terwijl: don’t shoot the messenger.’
‘Pardon,’ zei ik.’
‘Ik heb me door de jaren heen meer hedendaagse taal aangeleerd, inclusief buitenlandse uitdrukkingen’ zei Eliahoe. ‘Maar om terug te keren naar het onderwerp: Als ik op die Seideravond geen teken van leven krijg van die ‘verlosser’ kan ik niks doen. Heel frustrerend, vooral omdat mijn leven juist voornamelijk bestaat uit het zich erbarmen over het joodse volk, met de hulp van God.’
‘Zoals het tot leven wekken van het zoontje van die arme weduwe in Sidon, die je eerder al, zolang de hongersnood zou voortduren, voorzag van meel en olie.’
Eliaoe was even stil.
‘Uit al die verhalen, die ik jarenlang, elke dag, elke week, elke maand opnieuw uit het oude testament voorgelezen kreeg, en waarin alles uiteindelijk goed komt, is het niet vreemd dat sinds de dood van mijn kind, juist díe vertelling boven is komen drijven.’
‘Dan kan het u, Mirjam Rotenstreich, ook niet heel erg verbazen dat ik hier ben om u mijn hulp aan te bieden.’
‘U gaat Tonio uit de dood terughalen,’ schreeuwde ik. ‘Zeg dat het waar is, dat u mij mijn kind gaat terugbezorgen. Alstublieft, kom tevoorschijn, ik wil u omhelzen.’ De stilte trad in. Ik huilde zonder geluid te maken, maar de tranen die in overvloed uit mijn ogen stroomden, bewezen hoe diep het verlangen van mij naar Tonio zat.
‘Nee,’ zei Eliahoe, u begrijpt mij verkeerd. Uw zoon weer tot leven wekken kan ik helaas niet, dat wil zeggen, nog niet, misschien ooit.’
Mijn huilen sloeg in een keer dood, de traanklieren stopten met de aanmaak van vocht. Hoe was het mogelijk dat ik er in was gestonken. Niet alleen praten met de Profeet, maar ook nog geloven dat hij bestond en als ultiem waanbeeld: zich verbeelden dat hij inderdaad bovenmenselijke krachten bezat, zoals in de vertelling over dat zoontje uit Sidon.
‘Ga weg, jij niet bestaand monster,’ riep ik Eliahoe toe.
‘Geef me de kans u te vertellen wat ik wil doen voor u.’
‘Het enige wat ik wil is Tonio weer bij me hebben. Verder interesseert mij niets.’
‘Met uw permissie,’ zei Eliahoe, ‘Dat is niet helemaal waar. U bent met uw vader bezig en ik wil u graag assisteren bij de zoektocht naar zijn leven.’
‘Geen behoefte aan.’
‘Alleen maar de dingen waarbij het u niet lukt om erachter te komen,’ zei Eliahoe.
‘Dat brengt mijn uitgangspunt van en werkwijze aan het boek in gevaar,’ zei ik.
‘Hoe kan bij het schrijven van een levensgeschiedenis meer kennis leiden tot een kwalitatief minder goed boek?’
‘Het heeft niks met kwaliteit van doen, maar met de poëtische lading die het boek moet hebben.’
‘Zie mij dan niet als Eliahoe, maar bijvoorbeeld als uw Informatieve Stoorzender.’
‘We zullen zien.’

Nooit meer

Dezer dagen dat we de bevrijding van Auschwitz herdenken, hebben we onze mond vol van de dramatische woorden ‘Nooit meer Auschwitz’ en benadrukken we dat elke vorm van antisemitisme direct bestreden moet worden. Dat we nooit meer mogen wegkijken van alles dat daar naar riekt. Elk weldenkend mens kan daar alleen maar mee instemmen. Maar waarom is deze houding ten opzichte van Jodenhaat in de praktijk zo weinig te vinden, laat staan de actieve rol die daar uit zou moet voortvloeien.

Laten we het voorbeeld nemen van het Koshere restaurant Hacarmel op de Amstelveenseweg in Amsterdam, dat in 2017 slachtoffer was van antisemitisch geweld, door NRC Handelsblad ‘vandalistische acties’ genoemd. Tja, een ruit ingooien zou je kunnen scharen onder het kopje vandalisme, maar als iemand, daarbij een Palestijnse shawl om heeft en daarbij ‘Allahu akbar’ roept, werpt dat toch een heel ander licht op het gebeuren.

Daarna was het restaurant nog een aantal keren het doel van zeer onaangenaam gedrag, waaronder de ruiten die besmeurd werden met eieren en mayonaise en voor de tweede keer het inslaan van de ruiten.

De eigenaar Sami Bar-on vertelt dat er wekelijks tegen zijn ramen wordt gespuugd. Daarnaast krijgt hij ook vaak anonieme telefoontjes. Dan wordt er ‘Palestina vrij’ geroepen of ‘Allah Akbar’.

Joodse organisaties reageerden geschokt op deze aanvallen en ook daarbuiten gaven mensen blijk van hun afschuw.

Nu werd er twee weken geleden op de stoep van datzelfde restaurant een verdacht pakje aangetroffen. Het gebied rondom Hacarmel werd afgezet en de Explosieve Opruimingsdienst Defensie kwam er aan te pas, samen met een bomexpert van de politie en een robot. Het bleek loos alarm, de afzetting verdween, maar dat wil niet zeggen dat we het niet als alarmerend moeten opvatten. Nu stond er nog een kartonnen doos waar twee – zo bleek na onderzoek – onschuldige draden uit hingen, maar de volgende keer?

Ik verwachtte dat de gemeente, de politiek, op de een of andere manier een daad zou stellen, maar niets van dat al. Het werd heel erg stil en daarmee komt ‘Nooit meer’ juist heel dichtbij.

Mantelzorgers

Een bericht vanmorgen op de radio trof mij diep. Het ging over de snelle vergrijzing en de ouderenzorg waar niet genoeg personeel voor te vinden is. Daar moest op gestudeerd worden, maar gelukkig was er al een voorlopige oplossing: de mantelzorger. Die zou steeds vaker moeten bijspringen. Ik vroeg me af wie mijn mantelzorger zou kunnen worden als ik oud ben en niet meer in staat voor mezelf te zorgen. Adri is acht jaar ouder, dus is de kans groot dat ik eerder voor hem zal moeten zorgen dan hij voor mij. Maar eigenlijk hou ik niet van dat soort redeneringen, sinds er een einde kwam aan Tonio’s leven toen hij pas 21 jaar was. Dan heb ik nog een zus, maar die is ook ouder. En dan houdt het zo’n beetje op. Nee, niet zo’n beetje, maar er is echt geen beschermende ring rondom mij. Ik zal heus niet de enige zijn die niet over potentiele mantelzorgers beschikt, maar in dat hele verhaal vanmorgen kwam die krapte nergens voor. Trouwens wanneer het de afgelopen jaren over de participatie maatschappij ging, waarbij de mantelzorger een belangrijke plek inneemt, werd er ook nergens gerept over de krapte op de mantelzorgersmarkt. Zo word ik dubbel gestraft: het overlijden van mijn kind met als gevolg dat ik niemand heb die in de toekomst voor mij liefdevol kan zorgen. Dat trof mij dus diep.